Bezemkruiskruid

Het bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) staat in zijn thuislanden bekend als South African ragwort en dat betekent dat hij Afrikaanse wortels moet hebben. Dat klopt, want It deze soort is inheems in de zogenaamde Afrotropische ecozone, een moeilijk woord voor delen van zuidelijk Afrika waar het qua temperatuur goed toeven is, zoals Lesotho,Zuid-Afrika en Swaziland. Hij bewoont voornamelijk plekjes tussen de 1400 en 2850 meter hoogte, waar het 's nachts toch ook kan vriezen.
Bezemkruiskruid is een overblijvende, struikachtige plant van ongeveer 60 centimeter hoog. De plant bestaat uit een veelvertakte steel, ietwat houtig aan de basis met vaak slanke bladeren die van één tot zeven centimeter lang zijn. De bloemen hebben een doorsnede van 2,5 centimeter en zijn citroengeel van kleur.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Senecio, is afkomstig van het Latijnse woord Senex dat ‘oude man’ of ‘grijsaard’ betekende. In Duitsland heet het geslacht Greiskraut ofwel ‘Grijskruid’. Net als de paardenbloem gebruiken kruiskruiden talloze pluisjes om de zaadjes te verspreiden. Die grijzige pluisjes geven de plant het uiterlijk van een grijsharige oude man. Het tweede deel, inaequidens, is afgeleid van het Latijnse woord inaequaliter, wat 'ongelijk' betekent en de variatie in bladlengte en en bladvorm beschrijft.

In Europa is bezemkruiskruid al tijden lang aanwezig. De plant is onbedoeld meegevoerd met woltransporten uit zuidelijk Afrika en diens voorkomen hangt perfect samen met een vijftal Europese centra voor het verwerken van wol. De eerste waarneming in 1895 was nabij een Duitse wolfabriek in Hannover-Döhren en ietwat later bij de zeehaven van Bremen volgde de tweede. De eerste beschrijving van bezemkruiskruid in Nederland stamt uit 1939 in Tilburg in de nabijheid van een wolfabriek die daar tot 1953 in productie is geweest. Vanaf 1942 werd er af en toe een exemplaar gevonden aan de oevers van de Maas, maar in de jaren daarna steeg het aantal de waarnemingen dramatisch.

In Nederland is hij intussen over het hele land verspreid. Ook rondom de Waddenzee duikt hij af en toe al op en dat betekent dat hij zijn meest noordelijke verspreiding in ons land heeft bereikt. Diverse waarnemingen komen uit Harlingen, Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland.

We hebben al eerder wat familieleden van het bezemkruiskruid besproken, zoals duinkruiskruid, jacobskruiskruid, klein kruiskruid en zilverkruiskruid. Ook deze variant is giftig als gevolg van de aanwezigheid van een pyrrolizidine-alkaloïde. Dit is een toxine, die de lever van mens en dier aantast. Afblijven dus is het devies.

Poppenogen

Van de poppenogen (Actaea pachypoda) hebben we al eens eerder een giftig familielid besproken, het christoffelkruid (Actaea spicata) en het zal dus niet verbazen dat ook in poppenogen wat giftige bestanddelen verstopt zitten. Poppenogen zijn inheems in oostelijke delen van Noord-Amerika, waar de soort zich ophoudt in bossen. Hij houdt het liefst van kleiige tot leemachtige ondergronden.
[Foto: Susan Elliott]
Poppenogen is een kruidachtige vaste plant, die opgroeit tot een hoogte van circa 50 centimeter. De getande bladeren zijn soms tot 40 centimeter lang en 30 centimeter breed. In het voorjaar bloeit poppenogen met witte bloemen in een dichte tros. Het meest opvallende kenmerk van poppenogen is echter diens witte bes, waarvan de grootte, vorm en het zwarte stigma (of litteken) perfect overeenkomen met poppenogen. Vandaar ook de Engelse benaming doll's eyes.Officieel heet de struik daar overigens white baneberry. Het oude Engelse woord bane kan vrij vertaald worden als 'dood en verderf'. Er bestaat overigens ook een red baneberry (Actaea rubra).

Tsja, en dan ontstaat er een probleem. Veel tuincentra noemen poppenogen gemakshalve maar christoffelkruid, het al genoemde broertje van deze soort. Dat is echter een heel andere plant en in ons land is de benaming 'poppenogen' dus nog niet ingeburgerd. Dat heb je soms met exoten.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Actaea, komt uit Griekenland waar het ooit de naam was voor de vlierbes en waar het christoffelkruid nogal op lijkt. In de Griekse mythologie was Actaeon een jager, die het geluk had om de godin Artemis naakt te zien baden in het bos. Zijn pech was weer dat ze hem ook zag en hij werd voor straf in een hengst veranderd. Actaeon betekent ook ‘kust’ in het Grieks en daarmee wordt tegelijkertijd de vindplaats van enkele soorten van dit geslacht in Griekenland beschreven. Het tweede deel, pachypoda, is een combinatiewoord uit het Grieks: pachys is 'dik' of 'gezwollen' en podion is 'voet' en het verklaart de dikke purperen steel van het fruit.

Poppenogen wordt – jawel, het is écht enkelvoud – overal op internet aangeprezen vanwege zijn aantrekkelijke bessen. Hij zou het uitstekend doen als tuinplant op een wat schaduwrijke plaats. Toch is het een bijzonder slecht idee om aan die suggestie gevolg te geven. Hoewel van de hele plant wordt gedacht dat hij giftig is voor mensen, zijn het die zo aantrekkelijke doch bittere bessen die dodelijk giftig zijn. De bessen bevatten namelijk gifstoffen die op het hart inwerken. Ze hebben een onmiddellijk verdovend effect op het weefsel van de hartspier. Opeten van een bes kan dus leiden tot een hartaanval met een fatale afloop.

Zou jij je kinderen durven blootstellen die 'grappig uitziende' besjes, die tegelijkertijd een roedel wolven in schaapskleren blijken te zijn?

Dat Indianen ooit een thee brouwden van de wortel van poppenogen om de pijn tijdens de bevalling en menstruatiepijn te verlichten is vervolgens nauwelijks meer een geruststellend punt te noemen.

Zandambrosia

De zandambrosia (Ambrosia psilostachya) is een rechtopstaande, overblijvende plant die groeit als een slanke, vertakkende, strokleurige stengel tot een maximale hoogte van maximaal twee meter, al zal de plant vaker maar tot één meter reiken. De bladeren zijn tot 12 centimeter lang en vertonen wat verschillen in vorm: van lancetvormige bijna ovaal. Zowel de stengel als de bladeren zijn behaard. De bovenzijde van de stengel verwordt tot een fletsgele tot geelgroene piekvormige aar. De bloeiperiode is van juni tot en met november.
De zandambrosia is inheems in grote delen van Noord-Amerika (United States, Canada en noordelijk Mexico). Als de plantensoort zich nu een beetje gedragen had, was hij hier in ons land niet zo'n groot probleem aan het worden. De zandambrosia is min of meer per ongeluk meegevoerd met vogelzaad. Hoewel hij meer houdt van wat aangenamere klimaten ziet de zandambrosia toch kans om zich steeds noordelijker in Europa te vestigen.

In zijn thuislanden kun je hem op allerlei ondergronden aantreffen, maar hier lijkt hij zijn Nederlandse naam eer aan te doen, want hij wordt al enkele jaren voornamelijk aangetroffen in de Noord-Hollandse duingebieden. Nu hij zich hier eenmaal heeft gevestigd reproduceert hij zich via zaad en via zijn indrukwekkende ondergrondse wortelstelsel.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Ambrosia, herinnert aan de Griekse godenspijs ambrosia. Het Griekse woord ambrosios is een combinatiewoord van a (‘niet’) en mbrotos (‘sterfelijk’). Dat laatste is weer gerelateerd aan mortos dat in het Nederlands nog herkenbaar is in het woord ‘moord’. Samengevoegd betekent het ‘onsterfelijk’. Wat het verband is tussen die onsterfelijkheid en de plant, blijft raadselachtig. De planten zijn zeker niet onsterfelijk omdat veel soorten eenjarig zijn. Het tweede deel, psilostachya, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij psilos 'naakt' of 'kaal' betekent en stachus 'aar'.

Zoals vrijwel alle ambrosia's staat ook de zandambrosia bekend om zijn allergieveroorzakend stuifmeel. De pollen die tijdens de bloei vrijkomen zijn zeer sterk allergeen. Dat betekent dat ze snel hooikoortsklachten veroorzaken. Daarbij bloeit de plant pas vanaf eind augustus tot en met oktober, waardoor het huidige hooikoortsseizoen met wel twee maanden verlengd kan worden.

De Indianen trokken ooit een bittere thee van deze plant omdat ze meenden dat hij koortswerend was. Ondertussen heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat dit gebruik werkelijk dat beoogde effect heeft. Bovendien lijkt het brouwsel zo bitter te zijn dat ook worminfecties als sneeuw voor de zon verdwijnen[1]. Dat laatste bewijst overigens ook direct de giftigheid van de zandambrosia.

[1] Sülsen et al: Antiproliferative Effect and Ultrastructural Alterations Induced by Psilostachyin on Trypanosoma cruzi in Molecules – 2010

Gele hoornpapaver

De gele hoornpapaver (Glaucium flavum) is een kustbewoner, die in ons land inheems is, maar de soort leeft hier niet echt van harte. Het is dus een zeldzaamheid dat u een exemplaar in Nederland zult aantreffen. Zijn domein strekt zich uit vanaf de kusten van de Middellandse Zee tot die van Noordwest Europa. Tot aan de Engelse zuidkust is de gele hoornpapaver vrij algemeen, maar noordelijker verwordt hij bijna tot een dwaalgast. Men vermoedt dat de zaden via de zeestroming worden meegevoerd en dat de plant vervolgens opslaat op het vloedmerk aan de duinvoet.

De gele hoornpapaver dankt zijn naam aan de peulvormige zaden, een kromme hauw die ook bij peulvruchten in gebruik is. Deze decimeterslange hauw eindigt in een haakvormige top. Dit lid van de papaverfamilie is een zomerbloeier met grijsgroenige bladeren en bloeit met gele bloemen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Glaucium, is afkomstig van het Griekse woord γλαυκος ofwel glaukos, dat 'zeegroen' betekent en de kleur van de bladeren beschrijft. Het tweede deel, flavum, is ook al een kleur. Het is het Latijnse equivalent van het Griekse ξανθος ofwel xanthos dat 'geel' betekent en dus de kleur van de bloemen aanduidt.

Zoals ik al zei is de gele hoornpapaver zeer zeldzaam in onze contreien en hoe noordelijker we gaan kijken, hoe zeldzamer de soort wordt. Vanuit het Waddengebied zijn de laatste paar jaar enkele waarnemingen gemeld: op Texel, op Terschelling, bij Harlingen en op Schiermonnikoog kun je stil van zijn schoonheid genieten, terwijl de zeewind heerlijk de zorgen uit je verstofte hoofd waait.

Dat de gele hoornpapaver tot de gevreesde papaverfamilie behoort betekent direct ook dat de soort in het bezit is van een potente alkaloïde met de naam glaucine. Aan dit stofje is wat wetenschappelijk onderzoek gewijd en men heeft ontdekt dat het de bronchiën in je longen kan verwijden. Bovendien heeft het een ontstekingsremmend effect. De gecombineerde effecten hebben er toe geleid dat men het in enkele landen in hoestdrankjes heeft opgenomen. Gemakshalve is men vervolgens maar vergeten dat glaucine enkele minder leuke bijwerkingen heeft, zoals een verdovend effect, een gevoel van vermoeidheid en lamlendigheid, maar het gebruik leidt ook tot hallucinaties. Het zal de lezer niet verbazen dat sommige ietwat avontuurlijk ingestelde mensen geprobeerd hebben of je het ook voor die laatste werking recreatief kunt toepassen.

Overigens heeft de gele hoornpapaver een exotisch broertje, de rode hoornpapaver (Glaucium corniculatum) en die heeft – niet zo verwonderlijk – rode bloemen. Deze soort wordt hier als zwerver gezien en wordt heel af en toe aangetroffen.

Duivelsklauw

Veel mensen geloven in positieve effecten van de middeltjes die fabrikanten als A. Vogel op de markt brengen. Atrosan is er zo eentje. De tabletten zouden werkzaam moeten zijn bij milde gewrichtspijn. Het bedrijf claimt dat er een hoge concentratie Harpagophytum in ieder tablet (wel 480 mg) zit opgesloten. Gelukkig kunnen de tabletten 'gerust langdurig worden gebruikt' en zelfs 'naast de reguliere geneesmiddelen'. Veelal zijn die twee opmerkingen al een aanwijzing voor de onwerkzaamheid van de middelen.

De duivelsklauw (Harpagophytum procumbens) is een plantje dat groeit in de Afrikaanse Kalahari-woestijn die delen van Namibië, Botswana en Zuid-Afrika omvat. Het is een ver familielid van sesam. De plant heeft bladeren die aan de onderzijde wit en harig zijn. Hij bloeit met mooie rode tot paarsige trompetvormige bloemen. De naam duivelsklauw is eenvoudig te verklaren omdat het de aparte haakachtige vorm van het fruit vernoemt.
[Foto: flipper.diff.org]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Harpagophytum, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij harpagos zoiets als 'haak' of 'hark' betekent en phyton 'plant'. Samen is dat dus 'een plant (met) een haak'. Het tweede deel, procumbens, is van Latijnse herkomst: procumbere betekent 'plat op de grond liggen'. We herkennen daarin nog het woord 'prostatie', het (aan)bidden terwijl je op de grond ligt.

Zoals zoveel planten zitten er in de duivelsklauw een aantal alkaloïden, die door de natuur ontworpen zijn om de plant te ongeschikter te maken voor vraatzucht van knaagdieren. In de duivelsklauw zit harpagoside, waarvan de hoeveelheid kan schommelen van 1.0 tot 3.3 procent.

Nu heeft 'Dokter' Vogel, zoals hij zich decennialang onterecht noemde, een hele geschiedenis verzonnen om aan te tonen dat leden van de Ovambo-stam zoveel kennis van de natuur hadden dat ze wisten dat de duivelsklauw een veelzijdige toepassing had bij onder meer reuma, jicht en artritis. Niet Alfred Vogel, maar Duitse kolonisten uit Deutsch Südwestafrika, het huidige Namibië, brachten al een eeuw eerder de eerste wortels van de duivelsklauw naar West-Europa omdat men geloofde dat de wortels een lichte pijnstillende werking zou hebben.
Ondertussen zijn er wat wetenschappelijke artikelen verschenen die weten te melden dat de duivelsklauw mogelijk een bescheiden effect heeft bij lage rugpijn of artritis, maar die onderzoeken bleken vaak te klein of van te slechte kwaliteit te zijn[1]. Vermoedelijk zijn ze betaald door de producenten. Wat in die positieve onderzoeken voortdurend vergeten wordt te vermelden zijn de bijwerkingen, want uit literatuuronderzoek bleek dat van de 28 klinische onderzoeken er 20 negatieve effecten meldden, voornamelijk maag- en darmklachten, maagzweren en maagbloedingen[2]. Neem bij klachten van 'milde gewrichtspijn' maar gewoon een paracetamol. Dat werkt veel beter.

[1] Oltean et al: Herbal medicine for low-back pain in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2014
[2] Vlachojannis et al: Systematic review on the safety of Harpagophytum preparations for osteoarthritic and low back pain in Phytotherapy Research - 2008

Grote doornappel

Ooit groeide de grote doornappel (Datura ferox) vermoedelijk alleen in zuidoost-China. Deze versie is een broertje van onze 'inheemse' doornappel (Datura stramonium), maar onderscheidt zich doordat de plant een stuk groter is. De grote doornappel is een plant die tot een meter hoog kan opgroeien. Zijn dikke stengel kan ietwat roodpaars van kleur zijn. Het meest opvallende aan deze soort zijn de grote en onregelmatig gevormde bladeren die bedekt zijn met zacht donsachtige haartjes. De geel-witte bloemen zijn, zoals alle soorten binnen de Datura's en de gerelateerde Brugmansia's trompetvormig.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Datura, is terug te voeren op het Sanskriet, een oude Indiase taal, waar het woord dhattura werd gebruikt voor een direct familielid van de doornappel, de engelentrompet (Datura metel). De oorsprong van het tweede deel van de naam, ferox, is afgeleid van het Latijn en betekent 'woest'. We herkennen het woord zelfs nog in het hedendaagse Engelse woord ferocious ('woest' of 'wild'). In de Engelse taal wordt de grote doornappel ook wel fierce thornapple ('woeste doornappel') genoemd en de reden daarvoor zijn de enorme stekels op het rijpe fruit.
[Foto: Nova]
Alle delen van de grote doornappel zijn dodelijk giftig als gevolg van levensgevaarlijke waarden aan tropane alkaloïden, voornamelijk hyoscyamine en scopolamine (ook bekend als hyoscine). Er bestaan enkele verschillen voor wat betreft de aanwezigheid van de giftige stoffen in de doornappel en de grote doornappel: in de doornappel zit meer hyoscyamine dan scopolamine, terwijl het bij de grote doornappel net andersom is.

Het ligt in de natuur van de mens om dodelijk giftige planten in te zetten als medicijn tegen verschillende ziektebeelden. Dat is ook bij de grote doornappel het geval geweest. Chinese kruidenmedicijnen met daarin delen van de grote doornappel zijn eeuwenlang met weinig succes ingenomen om zaken als astma, chronische bronchitis, pijn en zelfs griepsymptomen te behandelen.

De (gewone) doornappel stamt oorspronkelijk uit de Nieuwe Wereld: van Mexico tot Zuidoost-Canada, terwijl de Grote doornappel uit China stamt. Het is ook een bewijs dat beide continenten ooit met elkaar in verbinding moeten hebben gestaan. Beide soorten zijn behoorlijk reislustig en worden in veel landen inmiddels gezien als een lastig te bestrijden onkruid. In enkele landen is de handel in de grote doornappel al aan banden gelegd. In ons land is deze gevaarlijke soort nog een zeldzame verschijning, maar dat maakt hem misschien wel nog gevaarlijker.

Groot akkerscherm

Groot akkerscherm (Ammi majus) behoort tot de familie van de schermbloemigen (Umbelliferae). Dat is een uitgebreide familie waartoe zeer nuttige (anijs, karwij, venkel, peterselie, pastinaak en wortel), maar ook potentieel dodelijke soorten (gevlekte scheerling, dodemansvingers en berenklauw) behoren.

Groot akkerscherm stamt uit Egypte, waar hij aan de oevers van de Nijl groeide, maar is ondertussen inheems in het hele gebied rondom de Middellandse Zee. Het is een eenjarige plant, die in een lange, warme zomer meer dan een meter hoog kan worden. Hij bloeit van maart tot december met een vrij omvangrijk bolvormig scherm van witter bloemen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ammi, is van Griekse herkomst, waar ammos 'zand' betekent en de habitat van de plantenfamilie beschrijft. Het tweede deel, majus, is Latijns betekent 'groter'. Dit om hem te onderscheiden van zijn kleinere broertje, fijn akkerscherm (Ammi visnaga).

Omdat zijn bolvormige bloemen zo aantrekkelijk gevonden worden wordt groot akkerscherm met enige regelmaat in de vaderlandse tuinen aangeplant. Hij blijkt zelfs zo populair te zijn dat kwekers een aantal cultivars op de markt hebben gezet: Ammi majus 'Snowflake' en Ammi majus 'Queen of Africa'. Maar we weten ondertussen wat er gebeurt met planten die hier niet thuishoren en ook groot akkerscherm is aan de aandacht van de eigenaren van enkele tuinen ontsnapt. Met grote regelmaat wordt groot akkerscherm in het wild aangetroffen.

Groot akkerscherm zit boordevol furanocoumarines, dezelfde stofjes die ook de grote berenklauw zo gevaarlijk maakt. Pluk je ietwat ondoordacht zo'n mooi plantje dan kun je rekening houden met dermatitis, blaren en een overgevoeligheid voor zonlicht. Het stofje wordt echter ook getemd en in India wordt groot akkerscherm geteeld voor die furanocoumarines. Het blijkt namelijk dat het de aanmaak van pigment activeert en dat betekent dat problemen als psoriasis en vitiligo behandeld kunnen worden met een zalfje van stofjes uit groot akkerscherm.

Sommige bronnen melden dat de zaadjes van groot akkerscherm onder de naam ajowan als specerij gebruikt worden in diverse landen in het Midden-Oosten en in India en Pakistan. Dat is niet waar, want ajowan of Oost-Indische kummel (Trachyspermum ammi) zijn de zaadjes van een verwante soort, die in het Engels – verwarrend genoeg – dezelfde naam draagt als groot akkerscherm: bishop's weed.

De zaadjes van groot akkerkruid worden in Egypte gebruikt als huismiddeltje om een abortus op te wekken en als anticonceptiemiddel. Het lijkt mij dat de toepassing als specerij een paar hele vervelende nadelen kan opleveren.

Bingelkruid

Bingelkruid is een klein geslacht van kruidige planten. In ons land kun je bosbingelkruid (Mercurialis perennis) en tuinbingelkruid (Mercurialis annua) aantreffen. Beide soorten zullen tot 40 centimeter hoog worden, hebben vierkante stengels en bladeren die kruislings tegenover elkaar staan. Bingelkruiden zijn opvallend omdat ze perfecte voorbeelden zijn van tweehuizigheid: mannelijke en vrouwelijke bloemen ontstaan op verschillende planten.

Het verschil tussen bosbingelkruid en tuinbingelkruid lijkt eenvoudig, maar bosbingelkruid heeft een uitgebreid netwerk van ondergrondse uitlopers en zal daardoor tot ware tapijten in het bos kunnen uitgroeien. Tuinbingelkruid gedraagt zich iets beter en zal, zoals de naam al aangeeft, vaak in moestuinen opschieten. Verder heeft bosbingelkruid donkergroene bladeren, terwijl tuinbingelkruid lichtgroene bladeren heeft.
[Foto: Jan Eckstein]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Mercurialis, verwijst naar de Romeinse god Mercurius. Vermoedelijk heeft zijn voorkomen in twee gedaanten, de tweehuizigheid, geleid tot die naamgeving, al kan ook hebben meegewogen dat de gedroogde stengel van de plant een sterke metaalblauwe glans vertoont. Het tweede deel, perennis, is een combinatiewoord uit het Latijn, waar per 'gedurend' en annus '(het) jaar' betekent. Met andere woorden: het is een overblijvende plant. De andere soortnaam, annua, is ook van Latijnse oorsprong, want ook dat stamt af van annus ('jaar'). Dit is dus een eenjarige plant. Het woord 'bingel' wordt verklaard als een verkleinvorm van het oudhoogduits Bungo ('knol'), dat weer verwant is aan de Nederlandse woorden 'bonk' en 'bengel'.

Zowel zaden en wortels van het bingelkruid is uiterst giftig als gevolg van de aanwezigheid van blauwzuurglycosiden, methylamine en triethylamine. Methylamine is bijvoorbeeld een grondstof voor de productie van de in Amerika zo populaire drug methamphetamine ofwel meth.

De planten verspreiden een 'giftige' geur en dat zou al voldoende reden moeten zijn om met een boog om bingelkruiden heen te lopen, maar de mens is een raar wezen en het is zelfs de mens geweest die de verspreiding van tuinbingelkruid actief heeft bevorderd. Bosbingelkruid is hier altijd inheems geweest, maar tuinbingelkruid is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. In tijden van hongersnood werden mensen inventief om te overleven en men heeft ooit ontdekt dat het koken de giftigheid deed verdwijnen. Tuinbingelkruid werd dus als groente gegeten.

Ongekookt of net iets te weinig gekookt kan dus behoorlijk wat ernstige problemen opleveren. De eerste vergiftigingsverschijnselen treden na een paar uur op en reken dan op zaken als overgeven, pijn in maag en darmen, ontstekingen van de maag en nieren, en slaperigheid. Een vreemd symptoom is een dermatitis aan de wangen en kin (malar erythema). Zeker voor kinderen kan het consumeren van bingelkruid dodelijk zijn.

Ook voor schapen en koeien is het eten van bingelkruid niet een goed idee.

Iboga

De iboga (Tabernanthe iboga) bewoont de tropische oerwouden van westelijke delen van Centraal Afrika, voornamelijk in Gabon en aangrenzende delen van Congo en Kameroen. Bij normale omstandigheden zal de iboga een hoogte kunnen bereiken van een meter of twee, maar als de omstandigheden precies goed zijn kan hij uit uitgroeien tot een kleine boom van ongeveer tien meter hoog.

Deze struik annex boom is in het bezit van kleine groene bladeren, witte en roze bloemen en oranje gekleurd fruit dat, afhankelijk van de ondersoort, rond of ellipsvormig is.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tabernanthe, is een combinatiewoord uit het Latijn. Taberna is 'hut' of '(markt)stal' en we herkennen daarin het woord 'taveerne' en anthe komt van anthos, wat 'bloem' betekent. Het tweede deel, iboga, is de Congolese naam voor de struik.
Hier in ons land is de iboga bekend onder zweverige types omdat de gele wortel psychedelische effecten heeft als gevolg van giftige alkaloïden, waaronder ibogaïne en tabernanthine. Inboorlingen raspen de bast van de wortel en consumeren het dan als een droog en bitter smakend poeder. Soms wordt het poeder met water vermengd en gedronken. In eerste instantie zal het de mond verdoven plus een algehele gevoelloosheid van de huid. Natuurlijk zullen inboorlingen iboga gebruiken om te proberen in contact te treden met hun voorvaderen en niets doet dat beter dan zelf ook maar te overlijden aan de bijwerkingen.

In kleine hoeveelheden toegediend zal iboga een stimulerend effect hebben en zal werken als een opwekker van eetlust en stoelgang. In grotere hoeveelheden zullen de problemen ook toenemen doordat gebruikers last krijgen van misselijkheid, braken, uitputting, verlaagde bloeddruk en hartritmestoornissen. Daarna zullen die gebruikers in een trance raken waarin weinig lichamelijke activiteit meer mogelijk is. In nog wat grotere hoeveelheden leidt iboga tot stuiptrekkingen, verlamming en zelfs de dood.

Het is dus duidelijk dat iboga een bijzonder gevaarlijk goedje is en iedereen, die zoekt naar een psychedelische ervaring, zou eigenlijk met een grote boog om iboga heen moeten lopen. Uiteraard bestaan er genoeg lichtgelovige mensen die zeker denken te weten dat iboga veilig gebruikt kan worden. Sommigen geloven dat je door het gebruik van iboga van allerlei drugsverslavingen af kan komen. Ook de controversiële Nederlandse psychiater Jan Bastiaans (1917-1997) experimenteerde vroeger met ibogaïne als afkickmiddel en begin jaren ’90 stierf bij een van zijn sessies een vrouw, de 24-jarige Duitse Nicola K. Recent stond een 'natuurgenezeres' terecht voor het voorschrijven van iboga: een van haar 'patiënten' liep in een trance een snelweg op en werd overreden en in een ander geval kon het leven van de patiënt maar net gered worden, maar raakte deze wel blind.

Gewone berenklauw

De in ons land inheemse gewone berenklauw (Heraclaum sphondylium) wordt gezien als een hoge, meestal overblijvende zomer- en herfstbloeier. Toch moet de kwalificatie ‘hoog’ gezien worden in relatie tot zijn nog grotere broertje, de reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum). Omdat de laatste een hoogte van bereiken van wel vier meter of meer en de gewone berenklauw kan reiken tot een meter of twee.

De gewone berenklauw komt voor in bijna geheel Europa, westelijk Azië en noordelijke delen van Afrika. Hij doet het zo goed dat hij hier na het fluitekruid de meest voorkomende schermbloemige is. Deze berenklauw houdt van bermen, op- en afritten van snelwegen, hooi- en rietlanden en lichte loofbossen. Ook de gewone berenklauw verdraagt herhaaldelijk maaien zeer goed en beweiding slecht. Dat is dan ook de reden dat men zo mogelijk varkens of geiten inzet om de berenklauwen doelmatig te bestrijden. Het maaien van bermen langs snelwegen zorgt er immers voor dat de concurrentie wordt weggemaaid, waardoor de berenklauwen juist meer ruimte en mogelijkheden krijgen om zich te vermeerderen. Leest u even mee, dames en heren van Rijkswaterstaat?
[Foto: http://botanika.wendys.cz]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Heracleum, vernoemt inderdaad de Griekse held Herakles in zijn Latijnse vorm Hercules. Men verklaart in meerderheid dat de familienaam te danken is aan de immense formaten van sommige familieleden, maar enkele afvalligen geloven dat juist dit een plant is waar Herakles helende crèmes van heeft gemaakt. Daartegen kan worden ingebracht dat de wetenschap deze familie van planten nimmer enig helend effect heeft kunnen betrappen. Het tweede deel, sphondylium, is van Griekse oorsprong, want spondulike (Σπονδυλική) betekent ‘(ruggen)wervel’ en het verklaart de opbouw van de stengel van de gewone berenklauw.

Allereerst is natuurlijk van belang om het verschil tussen een grote gewone berenklauw en een wat klein uitgevallen reuzenberenklauw te kunnen herkennen. De reuzenberenklauw heeft bladeren met scherpere randen en diepere inkepingen. Die van de gewone berenklauw zijn wat meer afgerond. De kleur van de bladeren van de gewone berenklauw is ook wat matter dan die van de reuzenberenklauw. Ik geeft toe: het verschil wordt pas echt duidelijk wanneer je beide planten naast elkaar hebt en met elkaar kunt vergelijken.

Wanneer u de hoop heeft dat de gewone berenklauw minder gevaarlijk of giftig is dan de reuzenberenklauw, dan heeft u het mis, want beide zitten boordevol furanocoumarines en die kunnen, zoals bekend, ernstige brandwonden veroorzaken. Had ik overigens al verteld dat deze stoffen ook kankerverwekkend zijn?

In Roemenië wordt jonge gewone berenklauw gezien als een geneeskrachtig kruid dat zou werken tegen seksuele problemen. Ook schijnt de plant te worden gebruikt om extra energie en uithoudingsvermogen te krijgen, vandaar zijn bijnaam Roemeense ginseng. Zou dát de kracht van Herakles kunnen verklaren?

Welriekende ganzenvoet

Toch handig als je binnen de ganzenvoetfamilie familieleden hebt met namen als (de inheemse) stinkende ganzenvoet (Chenopodium vulvria) en (de zich hier vestigende) welriekende ganzenvoet (Chenopodium ambrosioides). Dat maakt het verschil direct duidelijk. De welriekende ganzenvoet is een eenjarige of soms wanneer de omstandigheden precies goed zijn een meerjarige plant. Hij kan tot 1.20 meter hoog opgroeien en bloeit met onopvallende kleine groene bloemen.

De welriekende ganzenvoet is inheems in grote delen van Midden-Amerika en het maakt deze soort niet uit waar hij groeit als er ter plaatse maar een gematigd of subtropisch klimaat heerst. In sommige landen doet de welriekende ganzenvoet het zo goed dat hij een invasieve soort is geworden en de inheemse flora verdrijft. Zover is het hier nog niet, maar toch lijkt deze soort zich hier zo goed thuis te voelen dat er voortdurend meer waarnemingen worden gemeld.
[Foto: Matthew Merritt]

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Chenopodium, is een combinatiewoord uit het Grieks: chen (χήν) is ‘gans’ en pous (πούς) is ‘voet’. Samen is dat dus ganzenvoet. Het tweede deel, ambrosioides, is ook al Grieks en betekent ‘zoals ambrosia’. Ambrosia was het voedsel van de Griekse goden, maar dat woord staat zelf in verband met het oudere Grieks: a is ‘niet’ en brotos (μρότος) is ‘dood’. Samen is dat dus ‘niet dood’ ofwel ‘onsterfelijk’.

In Midden-Amerika wordt een plant als de welriekende ganzenvoet op waarde geschat. Daar staat hij onder de Spaanse naam epazote bekend als een zeer nuttig keukenkruid. Epazote wordt mede door zijn sterke smaak toegepast als een bladgroente (zoals wij spinazie klaarmaken), als kruid om flauwe bonenschotels en soepen wat op te peppen en als gezonde kruidenthee.

Men dicht de epazote ook medische effecten toe. Het zou flatulentie tegengaan. In normaal Nederlands: het helpt tegen scheten. Dat is een zeer nuttig effect omdat het immers wordt toegevoegd aan bonenschotels. Zelfs nu wordt olie van de welriekende ganzenvoet in enkele landen in Centraal Amerika met veel succes toegepast als middel tegen interne wormen en parasieten bij mensen, huisdieren en vee. En die informatie betekent dat er wel gif in moet zitten. De essentiële olie van de welriekende ganzenvoet bevat tot wel 70% ascaridole.

Van deze ascaridole is bekend dat het bij wat hogere doses kan leiden tot huidirritaties, misselijkheid, overgeven, verstopping, hoofdpijn, zichtproblemen, oorsuizen, tijdelijke doofheid en blindheid. Bloed in de urine en geelzucht zijn overduidelijke signalen dat je lichaam het begint op te geven. Blijf je doorgaan met het gebruik dan kan dat stuiptrekkingen, delirium, coma en uiteindelijk de dood tot gevolg hebben.

Cat’s Claw

Nee, Cat’s Claw of katteklauw (Uncaria tomentosa) groeit hier in Nederland niet in het wild, maar wordt vaak getemd in een potje gestopt omdat men denkt dat het slikken van delen van de plant positieve effecten op het menselijk lichaam kan hebben.

Cat’s claw is een lange houterige liaan, die zijn naam dankt aan de haakachtige doornen die langs de liaan groeien en lijken op de klauwen van een kat. Groeiend in de Zuid-Amerikaanse jungle houdt hij van warmte en klimt voortdurend hoger op zoek naar het schaarse licht. Hij kan daarbij een hoogte (of lengte) bereiken van zo’n 30 meter.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Uncaria, is afgeleid van het Latijnse woord Uncus, dat ‘haak’ betekent. Het tweede deel, tomentosa, is ook afkomstig uit het Latijn, waar het zoiets betekent als ‘bedekt met veel wol’ of ‘bedekt met veel haar’. Dus wollig of harig.
Uiteraard is bij de beschrijving van de werking van cat’s claw een hele mythologie verzonnen om aan te tonen hoe gezond een aftreksel van de bast of wortel wel moet zijn. Zo zou de plant al meer dan 2000 jaar lang door de bewoners van de jungle als medicijn toegepast worden om allerhande kwalen te bestrijden. Een aftreksel zou werken tegen astma, urineweginfecties, reuma, het zou het herstel na bevalling bespoedigen, het zou de nieren spoelen, infecties zouden geen kans hebben, het zou werkzaam zijn tegen diabetes en het zou zelfs kanker kunnen bestrijden.

Omdat veel mensen dit soort onzin klakkeloos geloven, moeten ze tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Wetenschappelijk onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat cat’s claw helemaal geen onschuldig plantje is dat als panacee tegen allerhande kwalen gebruikt kan worden.

Er zijn namelijk meldingen dat het, onder andere, een weliswaar zeldzame acute allergische nierinfectie (Acute allergic interstitial nephritis) kan veroorzaken[1]. En voor wat betreft de mogelijke effecten bij de bestrijding van kanker heeft de gezaghebbende en overkoepelende American Cancer Society zichzelf zelfs gedwongen gevoeld om argeloze patiënten te waarschuwen: ‘Beschikbaar wetenschappelijk bewijs ondersteunt niet cat’s claws effectiviteit bij de preventie of behandeling van kanker of welke andere ziekte dan ook. Cat’s claw wordt gelinkt aan een aantal ernstige bijwerkingen'. (Available scientific evidence also does not support cat's claw's effectiveness in preventing or treating cancer or any other disease. Cat's claw is linked to some serious side effects)[2].

Voorstanders van fytotherapie of homeopathie wijzen met graagte op een onderzoek[3] dat zou aantonen dat een extract van cat's claw werkzaam zou zijn bij reumatoïde artritis. De onderzoekers melden echter zelf dat het hier een 'klein voorlopig onderzoek betrof dat dat de relatieve veiligheid en beperkte voordelen aantoonde' (this small preliminary study demonstrates relative safety and modest benefit). Waarom zou je bij de behandeling van deze auto-immuunziekte geen reguliere pijnstillers en ontstekingsremmers willen gebruiken om wel je toevlucht te nemen bij iets dat maar 'beperkte voordelen' heeft?

Bovendien heeft inname van een extract van cat’s claw een negatief effect op de werking van bepaalde geneesmiddelen. Daarom wordt het gebruik van cat’s claw afgeraden bij mensen die ook al bloeddrukmedicatie, bloedverdunners, hormonen (bijvoorbeeld de pil) of insuline moeten gebruiken.

[1] Allard et al: Mechanisms of herb-induced nephrotoxicity in Current Medical Chemistry - 2013
[2] American Cancer Society: Cat’s claw. Zie hier.
[3] Mur et al: Randomized double blind trial of an extract from the pentacyclic alkaloid-chemotype of uncaria tomentosa for the treatment of rheumatoid arthritis in Journal of Rheumatology - 2002

Klokbilzekruid

Het Klokbilzekruid (Scopolia carniolica) is uiteraard familie van het inheemse (zwart) bilzekruid (Hyoscyamus niger), maar beide planten verschillen toch voldoende van elkaar om tot verschillende families te behoren. Klokbilzekruid komt voor in loofwouden in bergachtige streken van Midden-Europa. Hier in Nederland komt hij eigenlijk niet in het wild voor, maar wordt hij met enige regelmaat in vaderlandse tuintjes aangeplant om zijn decoratieve bloemen.

Het is een kruipende meerjarige plant met vaalgroene bladeren en rossige, vaak naar bruin neigende klokvormige bloemen. Het plantje bereikt een hoogte van zo’n 60 centimeter en vermenigvuldigt zichzelf middels wortelstokken.
[Foto: Jan Eckstein]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Scopolia, eert de Italiaanse naturalist Giovanni Antonio Scopoli (1723-1788). Hij was in zijn tijd een beroemde botanicus en correspondeerde zelfs regelmatig met Carolus Linneaus, de grondlegger van de moderne plantkunde. Het tweede deel, carniolica, is de Latijnse versie van de historische regio Carniola, nu een deel van Slovenië, waar de klokbilzekruid voor het eerst door Scopoli werd aangetroffen.

Zoals gezegd is het klokbilzekruid familie van het (zwart) bilzekruid en dat betekent tegelijkertijd dat ze samen behoren tot de gevreesde nachtschadefamilie (Solanaceae). De plant is een eervol lid, want alle delen van het klokbilzekruid zitten boordevol potentieel dodelijke gifstoffen.

Tot de belangrijkste ‘werkzame’ stoffen behoren enkele alkaloïden, waaronder: l-hyoscyamine, cuscohygrine, atropine en scopolamine. Ook die laatste stof heeft natuurlijk zijn naam te danken aan de Italiaan Scopoli.

Behalve dat je er al heel snel dood aan gaat, heeft scopolamine een beperkte waarde als medicijn. Soms wordt het (heel voorzichtig) toegepast bij misselijkheid, die kan ontstaan nadat uit een patiënt uit een narcose is ontwaakt, maar ook bij zeeziekte lijkt het enige werking te hebben. Men heeft daarvoor een handige pleister ontwikkeld die je achter het oor dient aan te brengen.

Het probleem is dat, als je die pleister langer dan een dag of drie laat zitten, er al ontwenningsverschijnselen kunnen optreden. Dan moet je denken aan duizeligheid, misselijkheid, overgeven, hoofdpijn en balansverstoringen. Ook zijn er enkele gevallen bekend van mensen die in een psychose raakten. Geen echt leuke effecten voor een medicijn.

In wat hogere doses is het een giftige narcotische stof met symptomen als hallucinaties en een effect op het vermogen om je zaken te herinneren. Scopolamine knoeit dus met je hersenen en dat is nooit een goed teken. Verder produceert het droogheid van de mond, pupilverwijding, roodheid van de huid, zweetaanvallen, gevoelens van rusteloosheid, desoriëntatie en irritatie.

Bij nog hogere doses – en dan praten we echt nog niet over het opeten van een hele plant – kun je rekenen op hartkloppingen, toevallen, verlamming, coma en dood door verlamming van de ademhalingsspieren. En geloof me: dat is een heel onaangename manier om dood te gaan.

Gevlekt longkruid

Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) is als plant een laagblijvende, borstelig behaarde plant met trompetvormige bloemen, die bij het ontluiken roze rood zijn, maar gedurende de bloei doorkleuren naar paarsblauw.

Gevlekt longkruid is inheems in Midden- en Oost-Europese landen. In Nederland was het ooit alleen in Zuid-Limburg inheems en dat was zo’n beetje zijn uiterste noordwestelijke grens. Die standplaats is echter in de jaren vijftig van de vorige eeuw uitgeroeid en dus moet gevlekt longkruid eigenlijk als uitgestorven te boek staan. Dat is niet het geval want, omdat het vanouds als geneeskruid werd gekweekt, hebben mensen het plantje heel Europa doorgesleept.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pulmonaria, is eenvoudig te verklaren: het is afgeleid van het Latijnse woord pulmo ('long'). Het tweede deel, officinalis, is al veel vaker verklaard: het betekent ‘werkplaats’ in de zin van ‘klaarmaken van medicijnen’ en is nog steeds te herkennen in het Engelse woord office.
[Foto: Malcolm Storey]
De bladeren van het gevlekt longkruid hebben bleekgroene vlekken en in de Middeleeuwen meende men dat die vlekken aan longen (of aan opgehoest slijm) deden denken. In die tijd was men nog volledig op de natuur aangewezen om medicijnen tegen allerhande kwalen te vinden en de meest wereldvreemde ideeën deden de ronde. De meest bekende is natuurlijk homeopathie, een stof die zo vaak verdund is dat er geen molecuul meer van die stof in het water of alcohol aanwezig is, zou moeten helpen tegen vele ziektebeelden. Als je nadenkt (wat veel mensen dus kennelijk niet doen), snap je direct dat het niet kán werken. De signatuurleer was een andere vorm van ‘geloven in de werkzaamheid’. Deze hield in dat, als een plant leek op een lichaamsdeel, het een teken van God was dat die plant werkzaam zou zijn voor kwalen van dat lichaamsdeel.

Het blad van longkruid leek op longen en dus moest het wel werken tegen longontstekingen, tuberculose, astma en hoesten. Tegenwoordig is het alom bekend dat longkruid een aantal giftige pyrrolizidine alkaloïden, zoals intermedine en lycopsamine, bevat en daarvan is overduidelijk bewezen dat die onherstelbare en soms dodelijke schade te kunnen aanrichten aan leverweefsel.

Maar laten we het deze keer eens omdraaien: is er ondertussen bewijs dat de plant voor een ziektebeeld kan worden ingezet? Sommigen claimen dat de prachtige gekleurde bloemblaadjes gezond zouden zijn vanwege hun hoge gehalte aan anthocyanines. Dat klopt, maar dan kun je toch beter cranberry’s, duindoornbessen of druiven gaan eten. Die zitten namelijk echt boordevol anthocyanines en je lever loopt niet de kans vergiftigd te worden door de giftige pyrrolizidine alkaloïden.

Waarzeggerssalie

Het geslacht salie (Salvia) staat bekend hier als leverancier van keukenkruiden. Salie is een uitgebreide familie, die zich over de hele wereld verspreid heeft. Om het zich gemakkelijk te maken hebben botanici besloten dat er drie grote onderfamilies bestaan: 500 soorten groeien in Centraal- en Zuid-Amerika, 250 soorten in Centraal-Azië en het Middellandse Zeegebied, terwijl nog eens 90 soorten Oost-Azië bewonen.

De Salvia divinorum (hij heeft officieel nog geen Nederlandse naam) is onderdeel van de Amerikaanse familie en is inheems op vochtige schaduwrijke plekjes in het Sierra Mazatec gebergte in Mexico. De Salvia divinorum staat bekend om zijn vermogen om sterke hallucinaties op te wekken. Dat heeft de aandacht getrokken van de spirituele mens, die het kennelijk voortdurend noodzakelijk vindt om drugs te gebruiken om zijn wereldbeeld aantrekkelijker te maken. In zijn thuisland groeit de Salvia divinorum tot een hoogte van een meter en heeft tot 30 centimeter grote bladeren.
[Foto: www.plantteacher.com]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Salvia, is afgeleid van het Latijnse woord salvus dat ‘gezond’ betekent. De (gewone) salie werd namelijk gebruikt om zijn ontsmettende werking. Het tweede deel, divinorum, lijkt rechtstreeks uit de boeken van Harry Potter te komen, want divinare betekent in het Latijn ‘voorzien’ of ‘geïnspireerd door de goden’. Het is dus eigenlijk ‘waarzegger’. De ontdekker van de plant, Albert Hofman, was niet echt blij met de naam: hij had liever gezien dat men de naam Salvia divinatorum ('Salie van de priesters') zou krijgen. Ik denk dat we hem in Nederland de naam waarzeggerssalie moeten geven.

Er wordt gemeld dat de plant al duizenden jaren bij rituelen door sjamanen wordt gekauwd. Het is echter maar de vraag of dit niet een verzonnen geschiedenis is, want het blijkt dat de waarzeggerssalie nauwelijks levensvatbare zaden produceert en alleen bovengrondse groei van de stelen, die snel wortelen, kan zorgen voor nieuwe planten.

De waarzeggerssalie bevat een aantal hallocinogene stoffen, waaronder salvinorine A en Salvinorine B. Hoewel het in Mexico gebruikelijk is om de bladeren te kauwen, heeft men in het westen bedacht dat je de waarzeggerssalie beter kunt gaan roken. De effecten treden al snel op en leiden tot intense vormen van dissociatie (‘onsamenhangende gedachten’) en vreemde vormen van hallucineren. Het effect is kortdurend en zal binnen tien minuten uitgewerkt zijn. Uiteraard zijn er mensen, die het effect als prettig en spiritueel omschrijven, maar de meesten hebben niet zulke goede ervaringen. Zij melden juist dat de ervaring angstaanjagend was en benoemen een tijdelijk gevoel van controleverlies waarbij de waarneming van de omgeving wegvalt en een neiging tot een kip-zonder-kop bewegen de kop opsteekt. Bovendien verdwijnt ook nog eens elk gevoel voor hoogte en diepte. Adepten ontkennen natuurlijk de gevaren en claimen dat negatieve effecten het gevolg zijn van een negatieve gemoedstoestand. Het roken kan tevens leiden tot hoofdpijn, geïrriteerde luchtwegen of slapeloosheid. Het gebruik kan ook nog eens een psychose opwekken bij gebruikers die daar gevoelig voor zijn.

In Nederland is verkoop van waarzeggerssalie nog niet verboden, maar wat niet is kan nog komen.

Grote wolfsklauw

De grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum) is een vaste kruidachtige plant en behoort tot een wereldwijd voorkomende familie. Zijn voortplanting vindt niet plaats door zaden, maar door sporen, wat het dus een plantenfamilie maakt die verwant is aan de mossen. Wolfsklauwen zijn overblijvende en ook ’s winters groenblijvende planten met een aparte bouw: zijn bovengrondse deel imiteert eigenlijk zijn ondergrondse deel. De bladeren van de tot 15 centimeter hoge plant zijn dicht opeen geplaatst en geven de grote wolfsklauw een ‘wollig’ (geen ‘wolvig’) uiterlijk. Hij is liefhebber van beschutte plekken op een kalkarme zandgrond. Dat die plekken steeds minder in ons land bestaan betekent dat de grote wolfsklauw ondertussen een zeldzame verschijning is geworden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lycopodium, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar luko ofwel λυκσ ‘wolf’ betekent en podion ofwel ποδισν ‘(tot over de) voeten (reikend)’. Met andere woorden: het is veelal een liggende plant. Het tweede deel, clavatum, is afkomstig van het Latijnse woord clava, dat ‘knots’ betekent en de vorm van de bloem beschrijft.
[Foto: Christian Fisher]
Alle wolfsklauwen zijn giftig doordat ze meer dan 200 verschillende alkaloiden bevatten. De plantenfamilie bevat namelijk lycopodine, dat zijn giftigheid bewijst doordat het de zenuwen uitschakelt die spieren aansturen. De grote wolfsklauw bevat ook clavatine dat dodelijk giftig is voor vele zoogdieren en vergeet niet dat de mens ook een zoogdier is. Het enige waarvan bewezen is dat het niet giftig is zijn de sporen. Die zijn echter zo miniem dat je er echt niets mee kunt.

De grote wolfsklauw wordt in de homeopathische wereld dankbaar gebruikt en er wordt met allerhande onzinnige kretologieën getracht duidelijk te maken dat ‘het’ werkt, zonder te vermelden wat ‘het werkingsprincipe’ is. Wat stel je je voor bij zinnen als: 'Aandoeningen die duidelijk het ergst zijn aan de rechterkant of die rechts beginnen en dan naar links gaan, wijzen sterk in de richting van Lycopodium'? De sporen van de grote wolfsklauw zouden helpen bij verschillende leverproblemen, zoals ontstekingen.

Een leverontsteking of hepatitis ontstaat in de meeste gevallen door een virus, maar alcohol-, drugs- of medicijnmisbruik kunnen ook een ontstoken lever opleveren. Het eerste wat iemand met een ontstoken lever moet doen is naar een échte arts gaan, want je bent dan in het bezit van een potentieel dodelijke aandoening. Natuurlijk heb je ook de keus om naar je kwakzalver te gaan om daar een middeltje te kopen waarin geen molecuul aan werkzame stof zit. Hoewel sommigen anders geloven is toch echt wetenschappelijk bewezen[1] dat homeopathie volstrekte onzin is: 'reviews of studies of homeopathy do not show that homeopathic medicines have effects beyond placebo'.

[1] Ernst: Homeopathy: what does the "best" evidence tell us? in The Medical Journal of Australia - 2010

Moederkruid

Een befaamd kruid dat in vele oude kruidentuinen en kloostertuinen een plekje kreeg om zijn koortsverlagende eigenschappen is moederkruid (Tanacetum parthenium) is. Ook in Engeland was dit feit bekend want zijn Engelse naam feverfew is een verbastering van het Latijnse woord febrifugia, wat via febris ('koorts') en fugere ('vluchten') ‘koortsverlager’ betekent. Zijn lot is dat hij tegenwoordig niet meer als geneeskrachtig kruid, maar als onkruid wordt gezien.

Oorspronkelijk is de moederkruid afkomstig uit grote delen van Zuidoost-Europa en aangrenzende delen van West-Azië. Moederkruid is in Nederland een verwilderde plant en is een tot 50 centimeter hoge, overblijvende zomerbloeier met een karakteristieke geur, die doet denken aan die van kamille. Hij is in het bezit van aantrekkelijke witgele bloemetjes, die de reden zijn dat moederkruid ook met enige regelmaat in tuinen wordt aangeplant.
[Foto: Neelix]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tanacetum, is afkomstig uit het Latijn en betekent ‘wormhout’ en dus werd de soort zelfs door de Romeinen al voor ontworming gebruikt. Maar we kunnen nog verder terug in de geschiedenis en dan ontdekken we dat de Romeinen het woord uit het oude Grieks hebben geleend: athanasia (ta verwisselde onderweg wel eens vaker met at) betekende ‘ontsterfelijkheid’ (a is ‘niet’ en thanasia is ‘dood’). Het is een bevestiging van het idee dat planten van deze familie geneeskrachtige eigenschappen hadden. Het tweede deel, parthenium, is te herleiden tot het Griekse woord parthenos (παρθένος) met de betekenis van ‘meid’. In het oude Griekenland was dat dus een ‘ongetrouwde dochter’ en die was nog ‘maagd’. Het woord parthenium is dus te verklaren als ‘maagdelijk’ en verklaart de maagdelijk witte bloembladeren.

Moederkruid bevat een aantal werkzame stofjes, zoals parthenolide en tanetin. Van de eerste bestaan wat aanwijzingen dat het in een reageerbuisje celdood (apotosis) kan veroorzaken bij enkele kankersoorten.

Sinds mensenheugenis wordt moederkruid echter ingezet als middel tegen koorts, hoofdpijn en nog wat andere kwalen. Je zou dus verwachten dat de wetenschap zich met graagte op deze plant heeft gestort om vervolgens de werkzame stoffen in een pilletje te stoppen. De resultaten van allerhande wetenschappelijke onderzoeken[1] zijn echter treurigstemmend, want het blijkt dat moederkruid helemaal geen koortsverlagende en hoofdpijnverminderende werking heeft. Iedereen, die denkt op te knappen met een elixer van moederkruid, is het slachtoffer van het placebo-effect.

Mocht je de illusie hebben dat het gebruik van moederkruid dus onschadelijk is dan heb je het fout: maag- en darmproblemen, misselijkheid, overgeven, diarree en winderigheid zijn als ongezonde bijverschijnselen gemeld. Indien moederkruid gekauwd wordt – in de hoop om van je hoofdpijn af te komen – dan kun je rekening houden met zweren in je mond plus een tijdelijke zwelling met gevoelloosheid van je mondholte. Tegelijkertijd mag een extract van moederkruid niet gebruikt worden door zwangere vrouwen en bij patiënten, die bloedverdunners gebruiken.

[1] Pittler et al: Feverfew for preventing migraine in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2004

Meekrap

De meekrap (Rubia tinctorum) - ook wel mee of mede genoemd - is een oud cultuurgewas. Vermoedelijk is de meekrap afkomstig uit het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied en is ooit in onze contreien terechtgekomen als geneeskrachtig kruid. Uit meekrap werd in vroeger tijden een grondstof voor de rode kleurstof alizarine gewonnen. Vooral in Zeeland hadden boeren er een goede boterham aan. Toen Duitse chemici van BASF in 1868 een manier vonden om die alizarine synthetisch te bereden, was dat de doodsteek voor de meekrap als economisch nuttige plant.

Meekrap is een overblijvende, groen overwinterende plant met een hoogte die tot één meter kan reiken. Ondergronds graven houtige wortelstokken zich een weg naar beneden en bereiken een diepte van eenzelfde meter. De ruwe stengels zijn in het bezit van omlaag gerichte stekeltjes. De groengele bloemetjes staan rommelig in bijschermen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Rubia, is afkomstig uit het Latijn, waar ruber 'rood' betekende. Het tweede deel, tinctorum, heeft eveneens een Latijnse oorsprong want tinctura betekent ‘kleuren’ of een ‘tint geven’. Dat woord kan echter nog verder worden teruggevoerd op tinctus dat ooit ‘kleuren’, ‘vochtig maken’ en ‘weken’ heeft betekend. Allemaal termen die te maken hebben met het (in)kleuren van weefsels.
[Foto: H. Zell]
In de volksgeneeskunst was meekrap in het verleden een befaamde plant en werd voorgeschreven bij het verminderen van problemen bij de menstruatie en het urineren. Ook werd de meekrap ingezet bij de behandeling van pijnlijke nier- en galstenen. Geelzucht als gevolg van leverproblemen stond ook al op de lijst van indicaties. Verder stonden middeltjes met meekrap bekend om hun veronderstelde werking als mild laxeermiddel en licht sedatief (slaapmiddeltje).

Natuurlijk heeft men de kleurstoffen in de plant het meest onderzocht. Ze hebben nogal vervaarlijk klinkende chemische namen, maar zelfs hun (handels)namen lijken zo uit de koker van een modern reclamebureau te kunnen komen: purpuroxanthine, quinizarine, purpurine, rubiadine, mollugine en alazarine.

In vroegere drukken van De Kleine Dokter staat nog heel optimistisch dat ‘Rubia bij nierkolieken heel goede diensten kan bewijzen’. Het woordje ‘bewijzen’ is wel behoorlijk vrijpostig gebruikt want ondertussen heeft wetenschappelijk onderzoek onomstotelijk vastgesteld dat het gebruik van ieder deel van de meekrap kan leiden tot kanker en dan voornamelijk lever- en nierkanker.

Gelukkig heeft de overheid ingegrepen en is het gebruik van meekrap in Nederland verboden en dus kan de bevolking weer veilig slapen omdat de meekrap onze gezondheid niet meer kan benadelen. Niet dus. Zoals altijd is de kwakzalverij onverstoorbaar doorgegaan met het aanprijzen van hun kwalijke waar.

Polei

Van de polei (Mentha pulegium) wordt gemeld dat hij in Nederland zeldzaam is en toch wordt hij met enige regelmaat aangetroffen. Het heeft dus niet alleen met verstoring van zijn milieu door menselijk ingrijpen te maken, maar ook met ons klimaat: hij houdt 's winters van natte voeten en in de zomer van een droge ondergrond. Polei is van nature een zonaanbidder en heeft zijn hoofdverspreiding in het Middellandse Zeegebied. Nederlands is zo'n beetje zijn noordelijkste grens.

Polei is een wat laagblijvende, sterk riekende overblijvende plant uit de muntfamilie (Mentha) en toch verschilt hij behoorlijk van zijn familieleden. De bladeren zijn eirond en de kleine roze bloemen doen meer aan die van tijm denken dan aan andere muntachtigen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Mentha, is volgens de geleerden uiteindelijk afkomstig van het Griekse woord minthe, waarvan de betekenis verloren is gegaan omdat het, zoals men aanneemt, tot een verloren gegane Mediterrane taal behoorde. Da's een gemakzuchtige houding want de belangrijkste taal in dat gebied was natuurlijk het Egyptisch, de taal van de farao's. In het oud-Egyptisch was mi soms 'mond' en ta was een vrouwelijke uitgang. Priesteressen stopten een blaadje munt in de mond van overleden landgenoten want je moest tenslotte wel met een frisse adem in het dodenrijk aankomen. Het tweede deel, pulegium, is van Latijnse oorsprong: pulex is 'vlo'. Ooit was de polei befaamd als artsenijmiddel. Dat blijkt ook uit haar naam in oude kruidboeken, pulegium regale, letterlijk 'koninklijke vlooienverjager'. Deze term is in het Engels verbasterd tot pennyroyal, nog steeds de naam van de plant in die contreien.
[Daniel Feliciano]
Dat vlooien het loodje leggen bij gebruik van de extracten van deze plant moet al een veeg teken zijn voor de potentiële nadelige effecten, maar eerst bespreken we de positieve kanten van de polei. Van verschillende delen worden extracten en theeën getrokken die werkzaam zouden moeten zijn tegen uiteenlopende zaken als maagproblemen, winderigheid, problemen met lever en galblaas, jicht, verkoudheden, als verhoger van urineproductie, middel tegen hepatitis, zalfje voor huidproblemen en om menstruatie op te wekken.

En bij die laatste toepassing zitten we dus bij de nadelen want gebruik ietsjes meer en het kan een abortus opwekken, onherstelbare schade opleveren aan je darmstelsel en je lever. Een kleine hoeveelheid van de essentiële olie van de polei kan al een delier, hallucinaties, misselijkheid, overgeven, lethargie, bewusteloosheid shock, toevallen en de dood opleveren. De essentiële olie is extreem giftig voor de mens en zou in geen enkel geval moeten worden ingenomen. Extracten van de plant moeten zeker door mensen met lever- en nierproblemen worden gemeden als de pest. Juist tegen bacteriën, zoals de pestbacterie, de yersinia pestis, werkt de polei juist weer perfect. Een potent gifplantje.

Canadese bloedwortel

De Canadese bloedwortel (Sanguinaria canadensis) of simpelweg bloedwortel is een kruidachtige vaste plant, die groeit en bloeit in de oostelijke delen van Noord-Amerika. Het is een wat eenzaam plantje omdat hij als eenling in het geslacht Sanguinaria zit. Dat geslacht is op zijn beurt wel weer onderdeel van een veel grotere familie, de Papaveraceae, genoemd naar de papaver of slaapbol (Papaver somniferum).

De bloedwortel kan een halve meter hoogte bereiken en heeft sterk ingesneden bladeren die wel twaalf centimeter breed kunnen worden. De aantrekkelijke bloemen zijn wit met een geel hart en dat is tevens de reden dat deze plant soms ook als huiskamerplant worden aangeboden. De bloedwortel is een van de weinige planten die voor de verspreiding van zijn zaden niet afhankelijk is van wind of vogels, maar van mieren. De zaden zijn gehuld is een vlezig vlies dat voor de mieren onweerstaanbaar is en ze slepen die zaden over grote afstanden naar hun nest.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sanguinaria, is een woord met een Latijnse oorsprong want sanguineus betekent 'van bloed'. Het tweede deel, Canadensis, is eenvoudig te vertalen als 'uit Canada'. Getrouw aan zijn naam heeft de bloedwortel inderdaad een bloedrode wortelstok waar de inheemse Indianen in het verleden wel een kleurstof van maakten.
[Foto: UpstateNYer]
De bloedwortel komt niet in Nederland voor en dus kun je je afvragen wat hij in deze serie van gevaarlijke planten doet. Welnu, de wortel van de bloedwortel zit boordevol met sanguinarine en gerelateerde stofjes met de gemeenschappelijke naam van benzylisoquinoline alkaloïden. Volgens niet bevestigde berichten gebruikten de Indianen de bloedwortel voor hartproblemen en hardnekkige vastzittende hoest. De meeste verhalen vergeten gemakshalve maar te berichten dat een extract van de bloedwortel werd gebruikt voor het opwekken van abortus.

In Amerika werd bloedwortel een tijdje in tandpasta's gestopt omdat men meende dat het een antibacteriële werking had. Dat het ook een kwaadaardige slijmvliesverandering (leukoplakie) kon veroorzaken bleek pas later.

Toch is de bloedwortel tegenwoordig het meest berucht doordat sommige mensen geloven dat de werkzame stoffen vele soorten kanker kunnen genezen. Het zou voornamelijk bij huidkanker precies weten welke cellen woekeren en welke cellen zich wel weten te gedragen. Men stopt het met een basisemulsie van zinkchloride in een potje en noemt het vervolgens 'zwarte zalf' (of black salve).

De alkaloïden van de bloedwortel en de zinkchloride (een sterk zuur) vreten zich echter een weg door de huid en veroorzaken vreselijke ontsierende wonden die vaak cosmetische chirurgie nodig hebben om een mens weer toonbaar te maken.

Er zijn ondertussen tientallen wetenschappelijke onderzoeken geweest en daaruit blijkt dat de bloedwortel wel degelijk apoptose (celdood) veroorzaakt. Nu nog zorgen dat alleen de kankercellen worden aangepakt. Iedereen die even rustig nadenkt zal direct snappen dat bloedwortel in 'zwarte zalf' wel kwakzalverij moet zijn. Uw oncoloog zou u graag de operaties, chemokuren en bestralingen willen besparen.

Echte gamander

Regelmatig krijg ik mails van lezers van deze website die mij enigszins beschuldigend en gekscherend verklaren dat ze eigenlijk niet meer hun eigen tuin in durven omdat bijna alle planten gevaarlijk blijken te zijn. Ook zijn er mails die verklaren dat het allemaal wel meevalt omdat zij al jarenlang zonder problemen homeopathische middelen slikken die van die planten zijn bereid. Die laatsten snappen het dus niet: homeopathie is gewoon kwakzalverij.

Laten we eens een voorbeeld gaan bekijken en daarvoor kiezen we de echte gamander (Teucrium chamaedrys), een familielid van de valse salie (Teucrium scorodonia). Het is een dwergstruikje met liggende en vervolgens opstijgende uitlopers. De echte gamander is in het bezit van lichtroze bloemetjes die iets doen denken aan die van orchideën. Echte gamander heeft een areaal dat zich uitstrekt van de zuidelijke helft van Europa tot Nederland. Hier bevinden zich dus de meest noordelijke vindplaatsen en dat betekent direct dat hij hier vrij zeldzaam is. Hoewel alom gemeld wordt dat hij alleen in Limburg wordt aangetroffen is dit niet helemaal de waarheid want hij wordt ook iets noorderlijker aangetroffen.
[Foto: Franz Xavier]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Teucrium, eert de eerste legendarische koning of stadhouder van het befaamde Troje, Teucer. Van Teucer is bekend dat hij zich bezig hield met medicinale planten. Het tweede deel, chamaedrys, is een combinatiewoord uit het Grieks: chamai is 'ter aarde' en drus is 'eik'. Samen betekent het woord dus zoiets als 'laag bij de grondse eik' en het verklaart de vorm van de bladeren.

In het verre verleden werd deze plant voor diverse kwalen ingezet. Hij zou de milt van allerhande problemen kunnen verlossen, zou kunnen helpen tegen overmatig zweten en zou kunnen hellpen tegen nog talloze andere lichamelijke ongemakken. In de homeopathie wordt de echte gamander ingezet tegen verstoppingen (obstipatie), verminderde eetlust en vochtafdrijving.

Omdat homeopathie niet kan en zal werken (omdat de werkzame stof zodanig verdund is dat je alleen voor het water of de alcohol betalen moet) en van fytotherapie altijd ongewis is hoeveel werkzame stoffen er toevallig in het plantje zitten dat jij vandaag geplukt hebt is het van groot belang om te weten wat de potentiële negatieve effecten van de echte gamander kunnen zijn.

Welnu, ik hoop dat de gebruiker gesteld is op een werkzame lever omdat gebleken is dat de echte gemander bij voortdurend gebruik een mogelijke dodelijk leverprobleem kan opleveren. Bewezen is namelijk dat de in de echte gamander aanwezige gifstoffen, waaronder teucrin A - een furanoneoclerodane diterpeen - een acute hepatitis kunnen veroorzaken.

Zo zie je maar: het is beter om te weten dan om te geloven.

Japanse skimmia

De Japanse skimmia (Skimmia japonica) is een struik of heester afkomstig uit Japan, Korea en China. Het is een overblijvende en groenblijvende plant uit de wijnruitfamilie (Rutaceae). Hij zal, als hij zijn best doet, een hoogte van een meter kunnen bereiken. De Japanse skimmia heeft heerlijk geurende bloemen en aantrekkelijk uitziende rode bessen. De kleur van de bloemen is tegenwoordig een beetje afhankelijk van de aangeplante variëteit en kunnen wit, crème of roze zijn. Alle delen van de plant geven een heerlijke geur af wanneer ze gekneusd worden. Hij is nog redelijk winterhard ook en is daarmee dus een directe concurrent van de inheemse hulst (Ilex aquifolium). Zou u zo'n aantrekkelijke plant niet op een heerlijk beschaduwd plekje in uw tuin willen hebben?

Welnu, vele Nederlandse tuinliefhebbers hebben de Japanse skimmia de laatste decennia met veel plezier in hun domein aangeplant. Zoals altijd heeft niemand ooit nagedacht over de mogelijke negatieve aspecten van de Japanse skimmia. Wie weet bijvoorbeeld dat de hele plant giftig is? Mits in een voldoende hoeveelheid gegeten leveren de gifstoffen in de vrolijk gekleurde bessen een hartaanval of bij zwangere vrouwen een abortus op. Ha, zo denkt de aandachtige lezer nu, ik ben heus niet zo sukkelig om van een plant zomaar de besjes op te gaan eten, maar uw kind of kleinkind zal mogelijk betoverd kunnen raken door de heerlijke geur van de Japanse skimmia en daardoor denken dat de bessen eetbaar zullen zijn.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Skimmmia, is de gelatiniseerde versie van diens Japanse naam Miyami shikimi, de plaatselijke naam voor deze plant en eveneens de aanduiding voor de Japanse steranijs. Het tweede deel, japonica, betekent uiteraard 'uit Japan'.

Op internet lees je alom dat men niet precies weet welke gifstof de negatieve gevolgen oplevert, maar dat is onzin. Al sinds 1904 is bekend dat een alkaloïde met de naam skimmianine de voornaamste gevaren veroorzaakt. Deze stof zit verborgen in alle delen van de plant, maar voonamelijk in de bladeren. Voorts heeft men vastgesteld dat de Japanse skimmia ook nog een aantal andere alkaloïden bevat met namen als sosoline, dictamnine, edulin en platydosmine.

Toch hebben onderzoekers die gifstof maar eens onderzocht. Het blijkt dat de skimmianine mogelijk geschikt is als insecticide om de tropische ziekte leishmaniasis te bestrijden. Leishmaniasis is een parasitaire infectie, veroorzaakt door Leishmania parasieten.

Wijnruit

De wijnruit (Ruta graveolens) is een vaste plant en groeide oorspronkelijk in de Balkan. Vanwege zijn blauwgrijze bladeren dacht menig tuinbezitter dat het een goed idee zou zijn om de wijnruit als kleuraccent in zijn tuin aan te planten. De plant wordt ongeveer anderhalve meter hoog, groeit met wat vreemdsoortige bladeren en bloeit met kleine bleekgele bloemetjes.

We hebben het al zovaak gezien: planten houden niet van opgesloten zitten en ook de wijnruit is met succes uit die tuinen ontsnapt. Het gevolg van al deze onnadenkendheid is dat hij nu in Nederland zoveel in het wild voorkomt dan men er sterk over denkt om hem maar tot onze inheemse flora te gaan rekenen.
[Foto: Rasbak]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ruta, is afgeleid van het Griekse woord rhuton dat vermoedelijk 'ruit' heeft betekend. De uiteinden van de viertallige gele bloemen van deze plant vormen samen een ruit. Het tweede deel, graveolens, is een combinatiewoord uit het Latijn. Daar was gravis 'zwaar' en olens was afkomstig van olere ('ruiken'). Samen wil het dus zeggen dat de wijnruit behoorlijk sterk riekt.

Dat de wijnruit een potente geur heeft klopt want de hele plant zit boordevol met etherische oliën zoals methylnonylketon (ofwel 2-undecanon). Die olie ruikt zo sterk dat hij commercieel wordt ingezet als afweer voor insecten, honden en katten. Ook komen 2-nonanon en een paar esters (2-nonylacetaat, 2-undecylacetaat) voor.

Laten we eerst eens met het goede nieuws beginnen met het melden dat de wijnruit in zijn oorspronkelijk thuislanden in de traditionele keukens wordt gebruikt om wat gerechten te kruiden. De bladeren zijn echter zo bitter dat ze altijd met mate worden ingezet. Teveel levert direct langdurige maag- en darmproblemen op. Vandaar dat wijnruit in het verleden (dat hoop ik tenminste) werd ingezet om menstruatie en abortus op te wekken.

Wijnruit bevat namelijk ook een serie alkaloïden, zoals chinolinalkaloïde en arborine. Hoewel die alkaloïden voornamelijk in de wortels worden opgeslagen, komen ze wel degelijk in de bladeren voor. En dan beginnen dus de problemen want van die alkaloïden is bekend dat ze een mutagene werking hebben. Ze kunnen dus kanker veroorzaken. Als klap op de vuurpijl bevinden zich op het blad zogenaamde furocoumarinen, die huidirritaties met behoorlijke blaarvorming kunnen veroorzaken.

Je zou dus verwachten dat de moderne mens met een grote boog om die wijnruit zou heenlopen, maar niets is natuurlijk minder waar. Tot in het oneindige verdund zou het helpen tegen spier- en gewrichtsproblemen. Kwakzalvers uit Indië claimen zelfs dat ze vele duizenden patiënten hebben genezen met een homeopathisch middel dat voornamelijk wijnruit bevat. Het zal de kritisch denkende lezer niet verbazen dat er geen enkel onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek bestaat dat deze grootspraak bevestigt.

Gelderse roos

De Gelderse roos (Viburnum opulus) is in de meeste gevallen een hoge struik tot een kleine boom. Een soort tussenformaat dus. De bloemen zijn roomwit en bloeien in mei en juni. Die bloemen zijn vreemdsoortig in een tuil opgebouwd want de binnenste zijn de vruchtbare en die in de buitenste rand bestaan slechts om aandacht van insecten te verkrijgen. Nadat de bloei is afgerond ontstaan er trossen met vuurrode steenvruchten. Die steenvruchten (het zijn botanisch gezien geen bessen) zijn zo bitter als gal en de meeste vogelsoorten vliegen liever eerst een blokje om voordat ze zich wagen aan zo'n onsmakelijke maaltijd. De trossen blijven soms een hele winter onaangeroerd hangen. Pas nadat de vorst erover geweest is worden ze door lijsters gegeten.
[Foto: Wouter Hagens]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Viburnum, is van Latijnse oorsprong. De Romeinen hebben het woord, volgens de meeste taalkundigen, van de Etrusken geleend. Toch is er een steekhoudende verklaring voor de afkomst want Viburnum zou best wel eens afkomstig kunnen zijn van het Latijnse woord viere ('vlechten') en duidt dan op de buigzaamheid van de takken. Het tweede deel, opulus, is een oude naam voor enkele soorten Viburnum toen men nog dacht dat ze tot de esdoorns behoorden. Opulus is dus het Latijnse woord voor 'esdoorn'. In de Franse taal herkennen we in obier ('wateresdoorn') nog steeds de Romeinse oorsprong.

De naam Gelderse roos hoort van oorsprong helemaal niet bij deze struik: ooit tooiden bloemen het wapen van de hertogen van Gelre, maar dat moeten volgens heraldici in werkelijkheid bloemen van de mispel geweest zijn. Bovendien is het geen roos. De Gelderse roos gaat dus valselijk onder die naam door het leven en een oudere en beter passende naam is 'watervlier', want de gewone vlier (Sambucus nigra) is een direct familielid.

Behalve bij pestvogels, zijn de bessen van de Gelderse roos zijn niet erg geliefd bij vogels. Er zitten gifstoffen in die na een paar nachten vorst deels afbreken. Dan zijn er ook meer liefhebbers voor deze doorzichtige rode juweeltjes.

De bessen bevatten wat saponinen, maar ook het giftige viburnine en dat is een gifstof dat irritatie van het maagdarmkanaal veroorzaakt. Verder kun je rekenen op misselijkheid, braken en bloed in je urine. Je zou denken dat alom geadviseerd wordt om met een boog om de Gelderse roos heen te lopen, maar dat is ook in dit geval weer niet het geval. Het zou gebruikt kunnen worden bij een scala aan vrouwenkwalen want het gif zou de spieren van de baarmoeder ontspannen bij een dreigende miskraam, zou menstruele krampen verzachten, zou overdadige menstruatiebloedingen verminderen, en noem maar op. Het zou - als je het mocht geloven - niet mogen ontbreken in het repertoire van iedere vrouw.

Wat ze er niet bijvertellen is dat viburnine een glycoside is en die hebben invloed op het hart en wekken hartritmestoornissen op.

Zuurbes

De familie waartoe de zuurbes (Berberis vulgaris) behoort, de berberisfamilie (Berberidaceae), is onderwerp van nogal wat gepuzzel onder botanici. De al eerder besproken mahonie (Mahonia aquifolium) behoort volgens sommigen ook tot deze familie, maar is door anderen met een strenge blik naar een eigen plek buiten de familie geplaatst. De zuurbes was vroeger de enige berberissoort, die in Nederland voorkwam, maar de vaderlandse flora is door exotische wereldreizigers een stuk ingewikkelder geworden want ondertussen verblijven hier te lande ook al de Roze berberis (Berberis aggregata) en de Japanse berberis (Berberis thunbergii).

De zuurbes is een gedoornde struik van maximaal vier meter hoog. Hij bloeit in de voorzomer met gele bloemen, waarna in de nazomer fraaie karmozijnrode bessen zullen verschijnen. Deze bessen zijn superzuur als gevolg van het hoge gehalte aan vitamine C. De naam van de struik is daarom bijzonder goed gekozen. De bessen en de zaden zijn overigens de enige delen van de zuurbes, die niet giftig zijn.
[Foto: Algirdas]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Berberis, is een verbastering van de Griekse term barbaroi, dat 'stotteren' heeft betekend. Grieken meenden dat iedere vreemdeling, die geen Grieks kon spreken, wel een spraakgebrek moest hebben. Wij herkennen tegenwoordig in het woord 'barbaar' nog steeds de oorsprong van de term. De Arabieren hebben het woord ook al van de Grieken geleend en vrijwel dezelfde betekenis vastgehouden: al-Barbar werd gebruikt voor iedereen die niet hun taal sprak. Een woord waar de Berbers nog steeds het slachtoffer van zijn. Het tweede deel, vulgaris, betekent, zoals we al een aantal malen eerder hebben gezien, gewoon 'gewoon'.

Jawel, ook de zuurbes is giftig als gevolg van berberine, een alkaloïde. Teveel binnenkrijgen van deze berberine kan zorgen voor gevoelens van misselijkheid, overgeven, een plotseling hoge bloeddruk, ademhalingsstoornis en een probleem dat men paresthesias noemt: abnormale sensaties als tintelingen en doofheid van de huid.

In een pil gestopt worden deze nadelen echter voordelen want de wetenschap heeft ontdekt dat de gifstoffen in de zuurbes een veelbelovend medicijn kan opleveren voor uiteenlopende ziektebeelden als diabetes, hart- en vaatziekten en kanker. De zuurbes lijkt zelfs een toekomst te hebben als plantaardige antidepressivum.

Met een zo grote potentiële toekomst in het verschiet zou je verwachten dat de zuurbes nu grootschalig wordt aangeplant, maar ook dat lijkt weer geen goed idee want de struik is een gastheer voor een schimmel met de onheilspellende naam van zwarte roest (Puccinia gramius). Zwarte roest is een plantenziekte, die nogal wat soorten graan op het menu heeft staan. Daarom is aanplant van de zuurbes op vele plaatsen verboden.

Ignatiastruik

Het wordt weer eens tijd om mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Deze column gaat over de ignatiastruik (Strychnos ignatia), een broertje van de al eerder beschreven braaknoot (Strychnos nux-vomica). De ignatiastruik is inheems op de Filippijnen en delen van China. Ook deze variant is een robuste klimplant, waarvan de stam bij de juiste klimatologische omstandigheden de dikte van een menselijke dij kan bereiken. De bes heeft de vorm van een olijf en wordt 'de boon van Sint Ignatius' genoemd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Strychnos, is een verbastering is van het Griekse woord strix waarmee een mythisch wezen werd aangeduid dat gedurende de nacht schreeuwt en ondersteboven hangt (een vleermuis), maar een tweede uitleg is ‘heks’ en daardoor komen we al snel op de giftigheid van de plant: het bevat het dodelijke gif strychnine. Het tweede deel, ignatia, is de Griekse vorm van de Spaanse geestelijke Sint Ignacio de Loyola (1491-1556), de man die in 1534 de Orde der Jezuieten stichtte en de eerste en de eerste leider van die club was. Voor een paus voldoende reden om hem na zijn dood tot Sint te bevorderen.
De ignatiusstruik is giftig. Dodelijk giftig zelfs doordat de hele plant doordrenkt is van strychnine en brucine. De bessen en zaden bevatten zelfs hoeveelheden van meer dan 1%. Strychnine kent men nog wel omdat het vroeger als een zeer succesvol rattengif werd gebruikt. In misdaadromans werd het vaak toegepast als middel om lastpakken te vergiftigen. Het gebruik van strychnine is nu in Nederland verboden. Het is gewoon te giftig om te kunnen gebruiken.

Zou je toch een piepkleine hoeveelheid strychnine of het ietsjes minder giftige brucine binnen krijgen dan kun je rekenen op de volgende symptomen: eerst ervaar je een hete, bittere smaak in je mond tijdens het doorslikken, na een paar minuten al gevolgd door een gevoel dat je gaat stikken. Je krijgt problemen met ademhalen. Dan ontstaan steeds erger wordende spierspasmes en uiteindelijk trilt je hele lichaam oncontroleerbaar. Je ledematen worden stijf en onbewegelijk, terwijl je hele lichaam zo stijf als een plank wordt, maar je spieren staan zo strak dat je in een boog gaat liggen (je hielen en hoofd raken alleen de vloer). Ook in het gezicht staan alle spieren strak gespannen en je mond krijgt een zogenaamde risus sardonicus. Je hebt verschrikkelijke dorst, maar je kunt natuurlijk niet om water vragen. De patiënt probeert het uit te schreeuwen van pijn. Deze aanval neemt even in kracht af om snel door een nieuwe gevolgd te worden. De intervallen worden steeds korter en de dood is dan onvermijdelijk. Een verschrikkelijke manier om aan je einde te komen door een onmenselijk gif.

In de homeopatie gelooft men echter dat dit middel, mits onnoemelijk verdund, kan helpen bij depessiviteit, nervositeit, postnatale depressie, prementrueel syndroom, hoofdpijn, migraine, maagslijmvliesontsteking en klachten als gevolg van verdriet.

Hoe onnozel kun je zijn om te geloven dat zo'n giftige plant ooit kan helpen om dergelijke vage klachten te bestrijden. Je koopt gewoon water in een duur flesje. Niet meer en niet minder. Kwakzalvers verdienen goud aan gewoon leidingwater.

Stekelnachtschade

De stekelnachtschade (Solanum rostratum) ziet er op het eerste gezicht misschien nog aantrekkelijk uit, maar als je hem wat beter bekijkt weet deze plant zijn ware aard maar moeilijk te verbergen. Jawel, de eenjarige en tot een meter hoog groeiende stekelnachtschade heeft leuke gele stervormige bloemetjes en dat is het wel zo'n beetje.

De stekelnachtschade is duidelijk een lid van de zeer giftige nachtsschadefamilie en deze soort heeft zich moeten aanpassen aan het dorre woestijnklimaat dat heerst in sommige delen van de Verenigde Staten en noordelijk Mexico. Dat betekent dat hij zich heeft omgevormd tot een plant die zichzelf voortreffelijk kan verdedigen. Lange, scherpe doornen bedekken de stelen en beschermen de bloemen. Zelfs de bladeren zijn bedoornd. Maar deze doornen zijn niet alleen vlijmscherp, ze zijn ook nog eens bedekt met een substantie die een intense en lang aanhoudende pijn veroorzaakt bij iedereen die ongelukkig genoeg is om zich te laten steken.

Dat alles heeft de stekelnachtschade verzonnen om ervoor te zorgen dat grazend vee zich wel twee keer zal bedenken om van hem te grazen. Knabbelt dat vee dan toch van deze plant dan kunnen veehouders zich opmaken voor een tripje naar de dierenarts omdat er zeker ernstige maag- en darmproblemen zullen gaan optreden.
[Foto: leighannemcc]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Solanum, komt uiteindelijk van het Latijnse woord solacium wat ‘troost’ betekent. Zelfs Ian Fleming, de schrijver van de romans over James Bond, gebruikte de term in een van zijn korte verhalen. De titel, A Quantum of Solace, is dus te vertalen als 'een beetje troost'. Het tweede deel, rostratum, is ook van Latijnse oorsprong en betekent zoiets als 'gekromde punt'. Bij oude galeien werd de ram op de boeg een rostrum genoemd. Dat alles verwoordt de scherpe naalden van de stekelnachtschade.

Ook deze nachtschade is weer eens behoorlijk giftig. De hele plant, en zeker de bladeren en het nog groene fruit, zitten boordevol de giftige glycoalkaloïde solanine plus wat andere tropane alkaloïden als solasonine en solamargine. De plant is ook heel goed in staat om giftige nitraten uit de bodem op te nemen.

Na al deze narigheid denk je vast dat het niet erger kan worden, maar dan zit je er behoorlijk naast want de stekelnachtschade is de oorspronkelijke gastheer van de door aardappelboeren zo gevreesde Coloradokever. Dat die rotkever het eenvoudiger vond om zich op de aardappel te storten is uit het voorgaande wel duidelijk geworden, maar veel verontrustender is het feit dat de stekelnachtschade de Coloradokever achterna is gereisd en nu als zich inburgerende exoot af en toe in Nederland wordt aangetroffen.