Pagina's

Lelietje-der-dalen

Het lelietje-der-dalen (Convallaria majalis) met zijn heerlijk geurende bloemen bewoont als soort een groot deel van Europa, van de Atlantische kusten tot aan de Kaukasische vlakten. Het is een vaste plant met woekerende, kruipende wortelstokken, waardoor hij al snel een bodembedekkend tapijt kan vormen. Sommige tuinbezitters zien hem daardoor zelfs als onkruid.

In het Engels heet hij ook lily of the valley en de Fransen doen er niet voor onder met lis des vallees. Precies hetzelfde heet hij in het Spaans met lirio del valle. Het bewijst dat de plant al sinds mensenheugenis in West-Europa moet voorkomen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Convallaria, is simpelweg de Latijnse vertaling van ‘van de dalen’ (convallis is ‘vallei’). Het tweede deel, majalis, betekent ‘van de meimaand’. Dat is ook interessant omdat het lelietje-van-dalen hier soms ook wel meiklokje wordt genoemd.

Ieder onderdeel van de plant is giftig omdat het wel een stuk of twintig gevaarlijke glycosiden en saponinen bevat. Van de glycosiden zijn de belangrijkste convallatoxine, convalarine, convallatoxol en convalamarine. Ze veroorzaken behoorlijke vergiftigingsverschijnselen waaronder vreselijke hoofdpijn, misselijkheid, overgeven, alsmede een onregelmatige en langzame polsslag. De saponinen zijn weer de oorzaak van spijsverteringsstoornissen, zoals maag- en darmproblemen, diarree en overmatig urineren.

Die onregelmatige en langzame polsslag is natuurlijk het directe gevolg van het feit dat de glycociden invloed op je hart en dus hartslag hebben. In het verleden werden er zelfs geneesmiddelen van gemaakt voor de cardiologie, maar die zijn natuurlijk allang vervangen door meer effectieve en betrouwbare medicijnen.

Er wordt gefluisterd dat men in vroeger tijden een thee brouwde van de bloem en de wortel om koorts te bestrijden. Bovendien zou die thee ook gebruikt kunnen worden als urine-afdrijver, als rustgever en als braakmiddel. Een zalf van de wortels werd ooit ingezet om littekens te voorkomen bij brandwonden.

Het vreemde van de naam lelietje-van-dalen is dat hij, precies zoals met het dalkruid, zich veel meer thuis voelt op zacht glooiende hellingen dan in de dalen waaraan hij zijn naam te danken heeft.

En dat is niet het enige vreemde dat over de plant te vertellen is. In het Hooglied van Salomo (2;1) wordt ook al gesproken over ‘Lelie der dalen’, terwijl de plant helemaal niet in het Midden-Oosten voorkomt. Wat kan hier aan de hand zijn? Waarschijnlijk is dit een foutieve vertaling van het Hebreeuwse woord shoshana waarmee gewoonlijk een lelie of zelfs roos wordt aangeduid, maar dat lijkt ook weer niet juist. Uiteindelijk is het woord shushn waarschijnlijk een leenwoord uit het Egyptisch en betekent het ‘lotus(bloem)’.