Pagina's

Gewone vlier

De gewone vlier (Sambucus nigra) werd vroeger gezien als een heilige struik. Je moest respect tonen als hij in je tuin stond en je moest de goden niet verzoeken door hem om te willen kappen. Tussen de regels doorlezend ontdekken we al dat het een behoorlijk taai onkruid is en als je besluit hem wel om te kappen zul je al snel merken dat de vlier weer snel gaat uitlopen. De oude goden geven zich niet zo snel gewonnen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sambucus, is afkomstig uit het Oudgriekse woord sambúkē (σαμβύκη) en was de naam van een driehoekig muziekinstrument met vier snaren. Van jonge twijgen maakte men vroeger inderdaad muziekinstrumenten en dat gebruik wordt nog weerspiegeld door het Nederlandse woord ‘flierefluiter’. Het tweede deel nigra is afgeleid van het Latijnse woord nigrum, wat ‘zwart’ betekende en dat, u raadt het natuurlijk al, beschrijft de kleur van de besjes.

Alle delen van de vlier zijn giftig, behalve de bloemen en de rijpe bessen (maar wel weer de rijpe zaden), en bevatten verschillende cyanogenische glycociden, zoals sambunigrine en sambucine. De eerste, sambunigrine, wordt door koken onschadelijk gemaakt. De schors bevat ook nog calciumoxalaat en dat is dezelfde stof als waaruit nierstenen worden gevormd. De vlier werkt bij inname als een laxeermiddel, een braakmiddel, een zweetopwekker en een vochtafdrijver. Rauwe bessen kunnen gevoelens van misselijkheid en overgeven opwekken.

Al deze nadelen worden plotseling voordelen wanneer de plant in kleine hoeveelheden als medicijn wordt ingezet. De vlier blijkt dan werkzaam te zijn tegen zaken als bronchitis, hoesten, verkoudheid en koorts. Bovendien was het bij uitwendig gebruik ook nog wondhelend. Zowel van de bloemen als de vruchten werd een medicinale thee gezet. Verder werd vlierbloesem wel in pannenkoeken verwerkt.

De groene delen en de bloemen verspreiden een kenmerkende, pittige geur. Die geur weert vliegen en daarom werd wel een bosje bloemen aan de manen van een paard vastgemaakt om de vliegen uit de buurt te houden tijdens het rijden.

Ook in het bijgeloof had de vlier een belangrijke plaats: het had een associatie met de dood en doodgravers hadden vaak een takje vlierbloesem op hun hoed gestoken als ze ergens een overledene gingen ophalen. Bovendien ging het verhaal dat, wanneer een meisje op midzomeravond een met de linkerhand geplukt bloeiend vliertwijgje achter haar bed hing, ze de hele nacht over haar toekomstige echtgenoot zou dromen. Maar toch geloof ik zelf dat de doodgraver dan geen last meer had van vliegen die rondom het stoffelijk overschot konden zwermen en dat het jonge meisje rustig kon slapen en dromen doordat ze ’s nachts niet door dat zoemend ongedierte werd gestoord.