Gevlekte aronskelk

De Gevlekte aronskelk (Arum maculatum) staat bekend om de bestuiving met behulp van een valkuil. De bloem verspreidt een lucht van rottend vlees, waar vliegjes door aangetrokken worden. Die vliegjes glijden via de binnenkant van de bloemschede in de kelk. Pas de volgende ochtend worden de met stuifmeel bepoederde vliegjes weer vrijgelaten. Het is een wat ingewikkeld, maar zeer doelmatig systeem.
Hhet eerste deel van de wetenschappelijke naam, Arum, is vaag. Het woord zou, volgens sommige deskundigen, uit het Oudgrieks stammen, waarbij áron (ἄρον) de naam voor een giftige plant zou zijn. Een veel betere verklaring is natuurlijk dat het Oudgriekse woord Aron weer geleend is van het Hebreeuwse woord Jaron (חץ) en dat betekent een 'pijl' of 'speer’ en dat is een duidelijke verwijzing naar de lansachtige kolf (de spadix) van de aronskelken. In Engelstalige landen wordt die spadix vergeleken met de staf van de Hogepriester Aaron en dan lijkt die Hebreeuwse bron uiteindelijk toch niet zo onredelijk. Het tweede deel, maculatum, betekent in het Latijn 'gevlekt' en dat is een verwijzing naar zijn paarsige gevlekte bladeren.

Door de vorm van de spadix werd de gevlekte aronkelk soms als een lustverhoger, ofwel een afrodisiaca, gezien en dat was gezien zijn giftigheid nu niet echt een goed idee. Alle delen van de gevlekte aronskelk bevatten calcium oxalaat kristallen, oplosbare oxalaten en cyanoforische glycociden. Ook is een vloeibare olie-achtige alkaloïde aangetroffen dat lijkt op de neurotoxine coniïne, maar die hier iets minder krachtig is. De gevolgen van inname zijn een gevoel van branderigheid en zwellen van de lippen, mond, tong en keel. Ook krijg je last van maagpijnen, krampen en duizeligheid door het eten van de bessen. Huidirritatie door contact met wortelsappen komt ook voor. Alle delen van de plant kunnen verder allergische reacties opwekken.

De knol van de gevlekte aronskelk kan behoorlijk omvangrijk worden en bevat veel zetmeel, dat – mits goed geroosterd en gemalen – in het verleden als voedsel gebruikt werd. Er werd in Engeland zelfs een drank van gebrouwen voordat thee en koffie waren geïntroduceerd. Ook werd van dat zetmeel een stijfsel geproduceerd waarmee de bekende kragen in de tijd van Elizabeth I (1533-1603) werden verstevigd en waar het ook een Engelse bijnaam aan te danken heeft: starchwort betekent stijfselwortel. Voor de wasvrouwen, die met dit stijfsel aan de slag moesten, was het beslist geen pretje omdat hun handen het door de giftigheid van de plant voortdurend moesten bekopen met vreselijke blaren en kloven. Schoonheid had toen ook al zijn prijs. Al hoefden de rijkere landgenoten die prijs zelf niet te betalen.