Beenbreek

De beenbreek (Narthecium ossifragum) behoort tot de leliefamilie, maar is daarin een vreemde eend in de bijt omdat de beenbreek het liefst groeit op een blijvend natte bodem of op watervasthoudend veen. Door de voortdurende ontginning van ons land en het kunstmatig verhogen of verlagen van het grondwaterpeil is de steenbreek in Nederland zo zeldzaam geworden dat hij door ijverige ambtenaren als officieel beschermd is aangemerkt.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Narthecium, wordt gewoonlijk gezien als een Latijns woord dat ‘kleine (pillen)doos’ zou betekenen. Soms lees je dat men gelooft dat het uit het Grieks zou moeten stammen, waar narthekion zoiets als ‘klein lattenwerk’ (om boontjes tegenop te laten groeien) zou betekenen. Beide verklaringen zijn absolute onzin. De enig juiste verklaring is dat bij het woord op zijn weg door de geschiedenis een omdraaiing heeft plaatsgevonden en ooit anthericum (‘rechtopstaande stengel’) moet zijn geweest. De oervorm daarvan was het Griekse woord ather (‘stengel’, ‘stekel’). Het tweede deel, ossifragum, is wat eenvoudiger te verklaren en het is een samentrekking van os (‘been’ of ‘bot’) en frago (‘breken’). Dat laatste is een broertje van het huidige woord ‘fractuur’. Samen betekent het dus ‘beenbreek’.

Vaak wordt gedacht dat de naam beenbreek zou kunnen wijzen op een oud gebruik van die plant als geneeskundig kruid, maar als andere mogelijkheid wordt genoemd dat het vee broze botten krijgt wanneer het teveel van die plant eet. Voor dat laatste wordt soms ietwat luchthartig gemeld dat de beenbreek gewoonlijk groeit op hele schrale en vochtige grond met weinig voedingsstoffen. Daardoor zullen schapen ook sneller last hebben van broze botten.

Maar het zit toch iets anders omdat beenbreek vervelende stofjes bevat, die men steroidal saponinen heeft genoemd. Vee dat teveel beenbreek binnenkrijgt krijgt last van beschadigingen aan de lever. Daardoor komt er teveel phylloerythrine in het bloed. Die stof wordt gevormd bij de afbraak van de groene bladkleurstof chlorofyl door de micro-organismen in de maag. Normaal wordt deze stof met de gal uitgescheiden, maar door de leverstoornis komt er teveel phylloerythrine in het bloed en dus ook in de huid. Daardoor kan de huid veel minder goed tegen zonlicht en ontstaat een soort permanente zonnebrand of fotodermatitis.

Vooral op vochtige weilanden in Groot Brittannië en Noorwegen zijn lammeren vaak het slachtoffer van het eten van de beenbreek. Maar ondertussen blijkt dat dit niet de enige problemen zijn die het eten van de beenbreek kan opleveren. In Noorwegen en Ierland is gebleken dat het eten van beenbreek ook schadelijk is voor de nieren. Deze gezondheidsproblemen hebben een officiële naam gekregen: de ziekte van Alveld ('elf-vuur') en het verklaart hoe de Noren vroeger over de oorzaak van de ziekte dachten.

[Fred de Vries]