Woestijnroos

Shakespeare zei ooit: What's in a name? that which we call a rose. By any other name would smell as sweet. Waarmee hij bedoelde dat welke naam we ook aan iets geven, het ding zelf niet zou veranderen. Met een naam als woestijnroos (Adenium obesum) denken we dus vermoedelijk allemaal aan een roos uit de woestijn. Maar nee, de woestijnroos is helemaal geen roos, maar familie van de maagdenpalm. Hij heeft meerdere houtachtige stammen, die om elkaar heen groeien en aantrekkelijke rozerode bloemen. Zijn wilde voorouders groeien in de droge gebieden van Oostelijk Afrika. Bij ons is hij getemd tot huiskamerplant.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Adenium, is van Latijnse oorsprong en betekent simpelweg ‘van Aden’ of ‘afkomstig uit Aden’, waarbij de hoofdstad van Jemen wordt bedoeld. In dat land is ooit de eerste soort van het geslacht aangetroffen. In het tweede deel, obesum, herkent u waarschijnlijk al het moderne woord ‘obesitas’. Dat klopt. Het Latijnse woord obesitas betekende ooit ‘dikheid’. Verder terug betekende obdere zoiets als ‘alles eten, verslinden’ en zelfs dat kun je nog verder ontleden want ob betekende ‘over’ of ‘teveel’ en edere was ‘eten’.

In een behoorlijk groot gebied in oostelijk Afrika, van Somalie tot Senegal, wordt het wortelsap van de woestijnroos ingezet als pijlgif. Dat betekent in de meeste gevallen niet veel goeds voor de dieren en mensen die aan het andere eind van die pijl komen te staan. Het is zelfs zeer populair omdat het gif zo giftig is dat vrijwel ieder doelwit na het aanschieten en hard weglopen binnen twee kilometer dood neervalt. In Nigeria wordt hetzelfde gif gebruikt om te vissen: er wordt een waterig mengsel van gemaakt en dat wordt in een rivier gegooid waarna even later de dode vissen boven komen drijven. In de Sahel wordt datzelfde gif ingezet om geslachtsziekten te bestrijden, terwijl het melksap wordt gebruikt om mond- en tandproblemen op te lossen. In Kenia gebruiken ze het melksap weer om luizen en mijten te bestrijden door zichzelf er mee in te smeren. Vrouwen kauwen daar op de bast om een abortus op te wekken. Sterk spul, zeg.

In de woestijnroos zijn ondertussen een dertigtal op het hart inwerkende glycosides aangetroffen, die op dezelfde manier werken als de digitalis van het ook dodelijke vingerhoedskruid. Die glycosides hebben mooie onuitspreekbare wetenschappelijke namen mogen ontvangen, zoals oleandrigenin beta-gentiobiosyl-beta-D-thevetoside, hongheloside A, hongheloside C, 16-acetylstrospeside, hongheline, somaline en digitoxigenine. De glycosides zijn zo giftig dat ze de aandacht hebben getrokken van moderne onderzoekers op het gebied van medicijnen tegen kanker. Het kan dus best zijn dat de woestijnroos over een paar jaar bij chemotherapie wordt ingezet.

[Fred de Vries]

Geen opmerkingen: