Deel 48: Wilde liguster

De wilde liguster (Ligustrum vulgare) is een lage heester, die omstreeks het begin van de zomer bloeit met kleine witte en trosvormige bloemen, die een sterke, weezoete geur verspreiden. Oorspronkelijk is hij inheems in de zuidelijke helft van Europa, maar hij lijkt hij zich al in de 17de eeuw in Nederland te hebben gevestigd.

Uit de bast is een gele verfstof te winnen en uit de vruchten blauw-groene verfstof, terwijl uit de vruchten ook nog een zwarte kleurstof gewonnen kan worden voor de fabricage van inkt. Het hout is een bron voor houtskool en de buigzame jonge twijgjes kunnen voor het maken van manden worden ingezet.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, ‘ligustrum’, is weer zo’n naam waar taalkundigen zich er met een Jantje-van-leiden hebben afgemaakt. Zij claimen gemakszuchtig dat het de Latijnse naam voor die plant is. Graven we echter iets dieper dan ontdekken we dat het woord vermoedelijk van het Griekse woord ‘ligustikos’ (Ligurisch, naar de provincie Ligurië in Italië) afkomstig is. Om het nog ingewikkelder te maken werd in de Middeleeuwen met Ligustrum niet de liguster, maar de sleutelbloem bedoeld. Gelukkig is het tweede deel, ‘vulgare’ gemakkelijker te verklaren: het betekent ‘gewoon’ of ‘gewone’.

Aangezien deze column is opgenomen in het boek 'Gevaarlijke Planten' heeft de uitgever mij verzocht een deel van de column te verwijderen. Wil je deze of andere columns toch in zijn geheel lezen? Bestel dan het boek!

Zie linksboven op deze site voor bestelinformatie.