Deel 106: Lidrus

Soms is de naamgeving van een plant eenvoudig te begrijpen en soms is het volstrekt onduidelijk wat men er ooit mee heeft bedoeld. De lidrus (Equisetum palustre) is een beetje van beide. Hij is onderdeel van de paardestaartenfamilie (Equisetaceae), maar natuurlijk wordt hij geen moeraspaardestaart genoemd, maar lidrus omdat hij wat op een rus lijkt (maar het niet is).

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Equisetum, is een combinatiewoord uit het Latijn, waarbij equus natuurlijk paard betekent en saeta een wat ruimer begrip is als haar. Denk daarbij aan borstelhaar of stoppelhaar. Samen kun je daar eenvoudig paardestaart van maken. Het tweede deel, palustre, komt via het Latijnse woord palus dat moeras betekent uiteindelijk van het oud-Griekse woord pelos dat modder, aarde of klei heeft betekend. Plakken we dat allemaal samen dan betekent de wetenschappelijke naam van de lidrus, jawel, moeraspaardestaart.

De lidrus wordt in heel Nederland algemeen aangetroffen en is een plant van vochtige standplaatsen, maar dat is gezien het voorgaande niet zo vreemd. De plant heeft niet of nauwelijks voedingswaarde. Grazend vee is vaak kieskeurig en verstandig genoeg om de plant te mijden. Dat is een goed idee omdat de lidrus door zijn giftigheid zeer schadelijk is, vooral voor paarden en koeien – ook in gedroogde toestand. De gedroogde lidrus, niet de gedroogde koe.

De giftigheid van de lidrus wordt gewoonlijk toegeschreven aan de aanwezigheid van alkaloïden, waarvan men de belangrijkste de naam palustrine heeft gegeven. Het vreemde van deze in de lidrus aangetroffen alkaloïden is dat ze grote fluctuaties in de aangetroffen hoeveelheden vertonen die niets met omstandigheden als weer of groeiplaats te maken lijken te hebben. Wel heeft nachtvorst invloed op het gehalte: na een korte tijd is de lidrus geheel vrij van alkaloïden. Aan de andere kant blijven de alkaloïden jarenlang hun werking behouden wanneer de plant gedroogd in hooi verstopt zit. Toch is vergiftiging van het vee niet, zoals lang werd gedacht, alleen het gevolg van die alkaloïden, maar dat kan mogelijk toegeschreven worden aan anti-thiamine factoren. Da’s een moeilijk woord voor iets dat de opname van vitamine B1 verstoort. En juist paarden zijn erg vatbaar voor een tekort aan die vitamine. Het gevolg is dat ze een wankelende gang hebben en opgewonden lijken met zenuwtrekjes van de zenuwen aan het hoofd. Daarna vallen ze gewoon om en sterven van uitputting. In koeien zijn de eerste symptomen een vermindering van de melkproductie. Daarna volgen diarree (wat bij koeien tegenwoordig lastig te onderscheiden is van hun normale ontlasting) en in extreme gevallen verlammingsverschijnselen.

[Fred de Vries]